1. Eeuwenlang een geïsoleerde, gesloten gemeenschap

Sommige luisteraars zullen misschien zeggen: 1850-1900 dat zegt mij niets. Domme jaartallen. Maar: deze  periode is wel de meest interessante uit de geschiedenis van Ede. In deze periode verandert het oude dorp Ede heel langzaam in een dorp dat op weg gaat naar de moderne tijd.

Eeuwenlang is Ede geïsoleerd geweest; opgesloten tussen de Utrechtse Heuvelrug en de veengebieden in het westen en de zandverstuivingen, heidevelden en dichte bossen van de Veluwe in het noorden en oosten. Ede was slechts bereikbaar via mulle zandwegen met diepe karrensporen.
In dat dorp woonde omstreeks 1850 een gesloten, homogene, orthodox-protestantse, agrarische gemeenschap van vooral boeren, schaapherders, dagloners en middenstanders, enkele  molenaars, houtvesters en een handjevol notabelen: de burgemeester, de dokter, de dominee en de notaris. Het dorp Ede telde toen 2.000 inwoners; de hele gemeente bijna 9.000.
                                   
Met Apeldoorn behoorde Ede tot de armste dorpen op de Veluwe. Vooral de kleine boeren en de dagloners hadden het moeilijk. De schrale grond bracht weinig op; kunstmest was er nog niet. Dagloners, dat waren arbeiders die per dag werden betaald en die maar moesten afwachten of er de volgende dag nog werk voor hen was. Geen werk betekende ook geen geld. Sociale voorzieningen waren er niet.

Bij plaggenhutten denken wij meestal aan Drenthe. Maar ook in de gemeente Ede woonde een deel van de armen in plaggenhutten. In1862 betrok Hendrikje van Dijk, beter bekend als ‘Hent uut ’t Zaand’, met haar man een plaggenhut in het Wekeromse Zand. In Ederveen leefden van de 76 gezinnen 23 in een plaggenhut; twee gezinnen bivakkeerden in een hol in de grond.

In Ede was geen waterleiding: men had zijn regenton en voor meer water moest men naar een van de dorpspompen. Maar de pompen aan de Bergstraat, de Boschpoort en de Paasberg gaven wel water, maar dat was niet geschikt voor consumptie.
Er was ook geen riolering. Men had een zinkput voor het afvalwater. Wanneer die vol was, dan werd die geleegd in de goot langs de zandweg voor het huis. De inhoud van de beerput werd over de moestuin uitgestrooid. Goed voor de spruitjes en de boerenkool.

De meeste gezinnen waren grote gezinnen. In een klein wit huisje aan een zandpad tussen de Amsterdamseweg en het Edese bos, de huidige Concordialaan, woonden Jan Verweij en Jannigje Schreuder met hun 7 zonen en 11 dochters.

Het dorpsbeeld van Ede anno 1850 werd bepaald door witte kanten mutsen, lange zwarte rokken, zwarte petjes, blauwe kielen en blank geschuurde klompen. ’s Avonds om negen uur werd de ‘papklok’ geluid. De klok van de Oude Kerk gaf dan het teken dat het tijd was voor een laatste bordje warme pap. Daarna werden de vuren gedoofd en gingen verstandige Edenaren naar bed.

Het was de tijd dat men eerbiedig de pet afnam wanneer de burgemeester of een van de andere notabelen passeerde.                                                                                                   Het was ook de tijd dat burenplicht nog bestond en een overledene door de buren naar het graf werd gedragen. Tot die burenplicht hoorde ook dat iedere Edenaar tweemaal per week, op dinsdag en op vrijdag, vóór vier uur ’s middags de goot en de straat vóór zijn huis tot de helft van de breedte schoon moest maken. Je moest dan de goten doorspoelen en modder en vuil verwijderen.  Was de straat beklinkerd, dan moest je op zaterdag vóór vier uur de straat vegen. Bovendien moest je driemaal per jaar in jouw deel van de straat onkruid wieden en grote gaten in het wegdek opvullen. Bij grote droogte en hitte moest de straat met schoon water worden besproeid en bij vorst, ijzel en sneeuw was je verplicht zand, turfmolm of as te strooien.

In het toenmalige Ede bestond een grote godsdienstig-culturele eenheid. In 1878 was er één kerk en één dominee. 98% van de Edenaren was Nederlands Hervormd en ging naar de Oude Kerk, 1% was rooms-katholiek, 0,3% Luthers, 0,2% joods en één man bekende niet gelovig te zijn.
Het dagelijks leven in dat oude dorp werd bepaald door eeuwenoude zeden en gebruiken. Iedereen moest zich daaraan houden. Afwijkend gedrag werd niet getolereerd. Wie daar last van had, kreeg een pak slaag, of werd op ‘ketelmuziek’ getrakteerd. In het ergste geval werd men buiten de gemeenschap geplaatst.               

Bij conflicten speelde men voor eigen rechter. Politie en justitie had men niet nodig.
Bijgeloof speelde een grote rol: veel mensen geloofden nog in spoken en geestverschijningen.
Sommigen geloofden in magische krachten: een pootje van een levende mol zou helpen tegen reumatiek. De schroeven uit een gebruikte doodskist konden je van weer andere ziekten genezen. Sommige protestanten haalden bij rooms-katholieken wijwater omdat zij dachten dat wijwater een geneeskrachtige werking had.                 
Ede was een hechte, gesloten gemeenschap, een klein wereldje vol dorpse rust en plattelandsromantiek.

Dat alles gaat in de periode 1850-1900 langzaam veranderen. Er komt een einde aan de geïsoleerde, gesloten, homogene, orthodox-protestantse, agrarische gemeenschap. Ede gaat heel langzaam op weg naar een open, geïndustrialiseerde en, zoals wij dat tegenwoordig noemen: pluriforme, veelkleurige, multireligieuze, multiculturele, en multi-etnische samenleving.                                                                                                                           
Wat na 1900 zou veranderen, is slechts een verdere uitwerking van wat in de periode 1850-1900 aarzelend is begonnen.

Carel Verhoef, 2019



Het boek 'Ede 1850-1900. Een Veluws dorp op de drempel van de moderne tijd' is hier te bestellen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten