Elke gemeente heeft geld nodig om wegen aan te leggen, scholen te bouwen, veldwachters en schoolmeesters te betalen, maar ook de dokter en de vroedvrouw en om brandjes te blussen. Waar kwam dat geld in de negentiende eeuw vandaan?
Allereerst en allermeest uit de zogenaamde ‘Hoofdelijke Omslag’, een gemeentelijke belasting die voor elke ingezetene gold. Verder uit de grond- en personele belasting, de accijnzen op alcoholica, de tol- en begrafenisrechten, de boeten van de politie en sinds 1 juli 1853 ook uit de hondenbelasting.
Maar het totaal van de belastinginkomsten was zo gering dat de financiële toestand van de gemeente Ede allerminst rooskleurig was. Dat had twee oorzaken: er woonden te weinig kapitaalkrachtige mensen in Ede en de gemeenteraad wilde de belastingen zo laag mogelijk houden.
Via de hoofdelijke omslag moest iedere ingezetene naar draagkracht meebetalen. Dat deed men niet van harte, maar omdat het moest. Afhankelijk van ieders vermogen varieerde omstreeks 1850 het te betalen bedrag van f.0,50 tot f.50,- per jaar. Wie een onzuiver inkomen had van minder dan f.150.- per jaar, was vrijgesteld.
Maar wat is ‘vermogen’? De gehanteerde criteria waren ietwat willekeurig. Men kreeg bezoek van een gemeenteambtenaar. Die keek naar de huurwaarde van de woning, naar het aantal ramen en deuren, naar de waarde van het meubilair, naar het aantal dienstboden, naar het bezit van paarden, maar ook naar “elks meer of min kostbare levenswijze; in aanmerking genomen de omstandigheden zijner huishouding” Niet iedere inwoner stelde deze ambtelijke pottenkijkerij op prijs. De bestuurders op het platteland bemoeiden zich op een nogal indringende manier met het gezinsleven en ieders uitgavenpatroon. Zij meenden zich een oordeel te kunnen aanmatigen over de levenswijze en het huishouden en dus over de draagkracht van de belastingplichtigen. “Inbreuk op de privacy” noemen wij dat tegenwoordig.
Geen wonder dat er nogal eens geprotesteerd werd tegen de hoogte van de aanslag. In menige raadsvergadering moest de raad flink wat tijd uittrekken voor de behandeling van ‘bezwaarschriften’. In 1850 was een van de bezwaarschriften afkomstig van Otto, Baron van Wassenaer tot Catwijck, woonachtig in kasteel Hoekelum, en destijds ongeveer de rijkste inwoner van de gemeente Ede. Hij schreef dat hij in verhouding tot anderen, voor een niet onaanzienlijke som was aangeslagen, mede doordat hij opnieuw in een hogere belastingklasse was geplaatst. Voor die verhoging had hij geen reden gevonden.
Om welke fenomenale geldsom ging het hier? Waarschijnlijk was de baron in totaal jaarlijks een bedrag van tussen de f. 35.- en f. 40.- verschuldigd en kwam de verhoging van klasse mogelijk uit op niet meer dan enkele guldens.
Het totaal van de hoofdelijke omslag in de gemeente Ede was in 1859 f.11.500.-. In dat jaar betaalden de belastingplichtigen tussen f.0,50 en f.200.-
Met het stijgen van de gemeentelijke uitgaven moest het plafond van de hoofdelijke omslag worden opgehoogd. In 1893 kwam het totaal op f.11.615.-. Dit betekent dat de hoofdelijke omslag tussen 1859 en 1893, dat wil zeggen in vierendertig jaar (!), met slechts f.115.- = 1% (!) was gestegen. Elders in Nederland werden de belastingen met ruim 30%.verhoogd. Dat was wel iets meer dan de 1% van de gemeente Ede.
De inwoners van Ede die niet verder keken, waren zeer gelukkig met een gemeentebestuur dat de belastingdruk zo laag mogelijk hield en er naar streefde aan het einde van het jaar nog geld over te houden. Elke begroting werd afgesloten met de volstrekte balans tussen inkomsten en uitgaven en met de vaststelling dat er “nihil” zou overblijven. Bij de eindafrekening bleek echter dat er elk jaar een batig slot was. Dankzij het (te) voorzichtige beleid was er geen enkel jaar met een negatief saldo, maar wel vele jaren waarin 1/10 tot zelfs 1/3 deel van de jaarlijkse inkomsten als batig saldo overbleef.
Het was precies wat de raad en B&W wilden: evenwicht in de begroting en zo mogelijk een batig slot. Over gemeentelijke investeringen in meer dan de strikt noodzakelijke infrastructurele verbeteringen en in projecten die de economie en de werkgelegenheid zouden kunnen aanzwengelen, werd niet gerept. Men beperkte de uitgaven tot de allernoodzakelijkste.
B&W probeerden destijds de belastingen zo min mogelijk te verhogen. Daar hadden zij twee redenen voor. Zij hoopten Ede aantrekkelijk te maken voor, liefst kapitaalkrachtige, migranten. Met lage belastingen als lokkertje.
Bovendien was het inkomen van de meeste inwoners uiterst gering. Dat is waar, maar van de meer draagkrachtigen had veel meer gevraagd moeten worden.
De Edese gemeenteraad volhardde echter in een uiterst zuinig uitgavenpatroon.
Die overdreven zuinigheid blijkt overduidelijk uit de volgende gebeurtenissen. In 1895 stelden B&W voor om de opzichter van de gemeente een “velocipède” (fiets) te verstrekken. De man zou dan per dag veel meer bezoeken kunnen afleggen. De raad wenste echter geen fiets beschikbaar te stellen, zelfs geen f.60.- voor de huur van een rijwiel. Het bleef bij een jaarlijkse reis- en verblijfkostenvergoeding van f.30.-, uitsluitend voor “zeer grote afstanden en wanneer het belang der gemeente een snelle verplaatsing vordert”. De ambtenaar moest de meeste bezoekjes lopend afleggen.
Ook het voorstel om het werk van de gemeentesecretaris te verlichten door een tweede ambtenaar te benoemen, haalde het niet. De raad argumenteerde dat de gemeente bij een benoeming de beschikbare f.300.- volledig aan salaris kwijt zou zijn. Men besloot tot een “schrijfloon” op uurbasis. Misschien zou er dan van die f.300.- nog wat overblijven.
Die zuinigheid had de gemeente en haar inwoners duur te staan kunnen komen. In 1886 en 1889 was de toren van de Oude Kerk door de bliksem getroffen. Vandaar dat B&W in 1898 (negen jaar later!) voorstelden de toren van de kerk van een bliksemafleider te voorzien. Het voorstel werd verworpen, want de raad had bezwaren. Bliksemafleiders voor de verschillende kerktorens zouden een belangrijke uitgave eisen, die meer in het belang werd geacht van de brandverzekeringsmaatschappij dan in dat van de gemeente en haar inwoners. Dus geen bliksemafleiders.
Carel Verhoef, 1 februari 2020
Het boek 'Ede 1850-1900. Een Veluws dorp op de drempel van de moderne tijd' is hier te bestellen.
Wekelijks radioprogramma bij EDE FM over kunst en cultuur in de regio. Dit is heel divers: we praten met artiesten over hun theater- en muziekvoorstellingen, met beeldend kunstenaars, met dichters, koorleden, muzikanten... Er is live muziek en er zijn vaste columnisten als Gertom de Beer (over boeken) en schrijver George Knottnerus. Kortom: cultuur in de breedste zin van het woord. Dit maakt Studio C afwisselend en elke week anders. Tussen de gesprekken door is er muziek.
Abonneren op:
Reacties (Atom)
-
Presentatie René Hazeleger 1 Harmannus Harkema over het optreden van Billy and Bloomfish op donderdag 12 december bij Live Stage Ma...
-
Presentatie René Hazeleger 1 George Knottnerus met zijn maandelijkse column. Over zijn ervaringen als postbezorger op Oudejaarsdag. B...
-
Presentatie Henk Gieling 1 Geen Broere , Buurtrichter van de Buurt Ede en Veldhuizen , het oudste bestuursorgaan van Ede dat nog actief is. ...

Geen opmerkingen:
Een reactie posten