In onze parlementaire geschiedenis is de grondwetsherziening van 1848 van ingrijpende betekenis geweest.
Een van de belangrijkste vernieuwingen was de verkiezing van de gemeenteraadsleden door de kiesgerechtigde inwoners. Tot dat jaar had vrijwel de gehele plattelandsbevolking geen enkele invloed op de samenstelling van de gemeenteraad. Ook daarna niet, want het aantal kiesgerechtigden bleef zeer beperkt. Alleen de gegoede inwoners kregen op grond van het bedrag dat zij aan directe rijksbelasting betaalden, het recht aan de verkiezingen deel te nemen. Voor Ede was dat in 1851 f.20.- bij verkiezingen voor de Provinciale Staten en de Tweede Kamer en f.10.- bij gemeenteraadsverkiezingen. Aan de raadsverkiezing van dat jaar namen 423 stemgerechtigden deel op een totaal aantal van 8965 inwoners; dit was slechts 4,5% van de bevolking. Het zal niemand verbazen dat de overige 95, 5 % van de
inwoners geen enkele belangstelling voor de politiek had, hoewel juist ‘de politiek’ beslissingen neemt die doorslaggevend kunnen zijn voor ieders persoonlijk leven.
Dit belasting- of censuskiesrecht is pas in 1917 door het algemeen kiesrecht vervangen. Uiteraard gold het kiesrecht uitsluitend voor mannen.
De organisatie van de verkiezingen in de negentiende eeuw week nogal af van de huidige gang van zaken. Politieke partijen waren er nog niet; ook geen kandidatenlijsten. Ieder die zich geroepen voelde, kon een lijst indienen met namen van mannen die hij geschikt achtte. Men kon dat ook anoniem doen via een circulaire of advertentie ondertekend met: “eenige kiezers”, “vele kiezers” of “zeer vele kiezers”. Alles zonder enige controle.
De Edese ambtenaren die de verkiezing van 1851 moesten organiseren, waren nog ietwat onwennig met de procedure. Prompt werd een kardinale fout gemaakt. Op de stembriefjes stonden onder andere de namen van A.C. Mulder, J. van Grootheest en J. Mekking. Omdat een nadere aanduiding ontbrak en er meerdere personen met die namen waren, wist men niet op welke Mulder, Van Grootheest of Mekking was gestemd. Een herstemming was noodzakelijk. Daarbij werd J. van Grootheest alsnog gekozen; A.C. Mulder viel buiten de prijzen en protesteerde, want hij “achtte zich in zijn burgerrechten tekort gedaan”. Zijn protest was zinloos; hij moest nog leren hoe de democratische spelregels werken.
Hoewel er geen politieke partijen waren, kon men wel onderscheid maken tussen de kandidaten. Daar speelde de godsdienstige achtergrond een beslissende rol. Er was een progressieve en een conservatieve stroming; de progressieven noemden zich ‘liberalen’. Door veel Edenaren werden deze ‘liberalen’ gezien als ongelovigen, als veel te ‘modern’ en voorstanders van ‘nieuwigheden’. Sommigen van hen gingen niet ter kerke. Vandaar dat de meeste stemgerechtigde agrariërs die tot de behoudende stroming behoorden, de ‘ongelovige’ raadsleden het liefst wilden vervangen door “geloovige Christenen”, die bovendien in maatschappelijk opzicht als behoudend bekend stonden. Dat lukte. Tot 1890 bezetten de welgestelde, conservatieve boeren twee-derde van de raadszetels. Zij vertegenwoordigden de autochtone stemgerechtigden. Dat bleek uit hun conservatieve opstelling. Zij wensten de traditionele dorpscultuur te behouden door hun dorp ‘tegen de kwade invloeden van buitenaf’ te beschermen. Aan nieuwe ontwikkelingen hadden zij geen behoefte.
De liberalen en de gematigde hervormden behoorden meest tot de nieuwe inwoners. Het politieke programma van deze ‘modernen’ omvatte de aanleg van wegen, tram- en treinverbindingen, het bouwen van scholen en uitbreiding van de straatverlichting.
Verder telde de raad een enkele middenstander, ambachtsman en liberale notabele.
De verkiezingen waren dan ook meer een strijd tussen personen en hun godsdienstige achtergrond, dan tussen verschillende politieke beginselen. Pas in 1883 werd in Ede de antirevolutionaire kiesvereniging “Nederland en Oranje” opgericht met de heer J. Tulp als voorzitter.
Alle kandidaten van de conservatieven kwamen in 1883 in de raad. De meer progressieven leden een nederlaag. De kloof tussen de ‘liberalen’ en de orthodoxe christenen was hierdoor beduidend dieper geworden.
Drie jaar later trad een groep orthodox-hervormden onder leiding van Abraham Kuyper uit de NH Kerk. Men noemt dit de doleantie. Bij de verkiezingen van 1887 en 1891 bleek duidelijk hoe de doleantie niet alleen de kerkelijke, maar ook de politieke en maatschappelijke verhoudingen op scherp had gezet. De vijandschap tussen hervormden en ‘dolerenden’, de latere gereformeerden, leidde tot een tweedeling. Tegenover de antirevolutionaire kiesvereniging “Nederland en Oranje” van de ‘dolerenden’ richtten de hervormden de hervormde kiesvereniging “Voor Koningin en Vaderland” op. Zo waren er in Ede dus twee politieke groeperingen ontstaan.
Na de verkiezingen van 1891 bestonden gemeenteraad en college van B&W vrijwel geheel uit orthodox-hervormden .
Toch werd Ede hierdoor niet onbestuurbaar. De verschillende groeperingen stelden zich constructief op. Vanuit ieders politiek-levensbeschouwelijke achtergrond trachtte men tot werkbare compromissen te komen. Wij noemen dat ‘polderen’. Daarbij werd vooral de oude dorpse cultuur met zijn godsdienstige en morele regels en religieuze thema’s, zoals zondagsheiliging, ontzien. Het gevolg was dat er van een structurele modernisering geen sprake was; er vonden slechts incidentele veranderingen plaats en vooral: ‘met de rem erop’.
Bij verkiezingen gebeuren de vreemdste dingen. Na de uitslag van 1897 werd dhr. L. Tulp tot raadslid gekozen. Niet voor lange tijd. Na enkele jaren werd de antirevolutionair en houthandelaar Tulp gedwongen de raad te verlaten. Hij had zich aan belangenverstrengeling schuldig gemaakt door hout te verkopen aan een aannemer die een gemeentelijke school renoveerde.
Carel Verhoef, 29 februari 2020
Het boek 'Ede 1850-1900. Een Veluws dorp op de drempel van de moderne tijd' is hier te bestellen.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten