7. Kunst en sport (7 september 2019)

7.1. Kunst.

De aanleg van de eerste spoorlijnen en de verharding van de belangrijkste zandwegen zorgden ervoor dat de contacten met de wereld buiten Ede langzaam werden verbeterd. Een van de gevolgen was de vestiging van nieuwe inwoners. Zij brachten andere ideeën mee. Dat blijkt onder meer uit de eerste culturele uitingen.
De enkele kunstenaar die in Ede werkte, kwam van buiten en had hier doorgaans een tweede woning, waar hij meestal alleen de zomermanden verbleef. Men kwam naar Ede vanuit een belangstelling voor het leven op het platteland. Van contact op cultureel niveau met de plaatselijke bevolking was geen sprake.
De Edese boerenbevolking had geen belangstelling voor kunst. Dat is niet verwonderlijk. Men werkte van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat op het land of in de stal. Bovendien hadden veel oudere Edenaren geen onderwijs gehad.

De bekendste kunstschilder, etser, fotograaf, tekenaar en schrijver die eind negentiende eeuw in Ede heeft gewerkt, was Willem Witsen. Tussen 1893 en 1902 woonde hij afwisselend in Amsterdam en in villa Zonneberg. Hij behoorde tot de stroming van het impressionisme en was bevriend met Breitner en Isaac Israëls. Witsen vond in Ede een nog authentiek Veluws boerendorp. Dat trok hem aan en het leven op de boerderij vormde het onderwerp van veel van zijn schilderijen, etsen en tekeningen. Heel bekend is zijn tekening van oude boerderijtjes bij een van de dorpspompen in de bocht van de Driehoek.

Een tweede impressionistische schilder die in de zomermaanden in Ede of Lunteren woonde, was Martinus Nefkens. Hij schilderde landschappen en schapenkudden op de heide. Zijn schilderijen en aquarellen werden veel door Amerikanen gekocht. Van hem wordt verteld dat hij tijdens een onweer op zijn paard door Lunteren reed, gekleed in een wit laken om de bijgelovige inheemse bevolking de stuipen op het lijf te jagen.

In 1896 kwam de schilderes en etser Maria Wandscheer naar Ede. Tot haar dood in 1936 woonde zij in “Villa Hugo” aan de Stationsweg. Zij leerde het etsen van Willem Witsen. Maria Wandscheer schilderde vooral bloemstillevens en portretten en kreeg daarmee zelfs landelijke bekendheid. Haar werken werden in Amsterdam, Den Haag en Rotterdam tentoongesteld. Ook had zij belangstelling voor haar omgeving en verschillende van haar schilderijen en aquarellen hadden het boerenleven als onderwerp.

Een eerste aanzet tot culturele ontwikkeling was de oprichting van de Sociëteit “Tot gezellig Onderhoud” in 1883. De vereniging organiseerde in de zomer concerten en in de winter zogenaamde “literarische voordrachten”, waar gedichten werden voorgedragen en boeken werden besproken. Dat alles geschiedde in een lokaaltje van hotel “Het Hof van Gelderland”.
De leden van de Sociëteit zullen tot de liberaal denkende kleine minderheid van de bevolking hebben behoord, want in het statuut van de vereniging staan regels over het gebruik van speelkaarten en van het biljart. In die tijd waren biljarten en spelen met “des duivels prentenboek”, zoals de speelkaarten werden genoemd, door de kerkelijke autoriteiten verboden voor de leden van de protestantse kerk. En tot die kerk behoorde toen 98% van de Edese bevolking.

Voor de geestelijke ontwikkeling van de bevolking is een bibliotheek van zeer grote betekenis. Dat geldt zeker wanneer in de nabije omgeving geen mogelijkheden voor voortgezet onderwijs zijn, zoals dat tot 1902 in Ede het geval is geweest. Op initiatief van gemeentesecretaris Ten Cate en de heer Senn van Basel werd in 1870 een ‘volksbibliotheek’ opgericht. Eind van dat jaar telde men 900 boeken en waren er 1707 uitleningen geweest. De ‘biep’ voorzag in een behoefte. Zij was gevestigd in een lokaal van het gemeentehuis en was elke zaterdagavond geopend. De collectie boeken bestond uit reisbeschrijvingen, stichtelijke boeken en historische werken. Romans waren ‘uit den boze’. Daarin zouden wel eens zinnenprikkelende verhalen of goddeloze uitdrukkingen kunnen staan. Toen Ede in 1898 een nieuw gemeentehuis kreeg, was daar voor alles plaats, behalve voor de bibliotheek. Bij het bouwplan had men daar kennelijk geen rekening mee gehouden. Het betekende het voorlopige einde van deze, vooral in die tijd, zo nuttige instelling.

7.2. Sport.

Vlak vóór het einde van de eeuw, in 1896, werd in Ede de eerste sportvereniging opgericht. Elders in ons land was men al veel eerder tot de conclusie gekomen dat sporten goed is voor de lichamelijke en geestelijke conditie, maar in Ede keek men daar wat anders tegenaan. Men vond dat “moderne fratsen” en vanaf de kansel werd de toehoorders verteld dat het “een verwerpelijke bezigheid “ was waar een christen zich verre van moest houden.
Toch waagden enkele sportliefhebbers en een tweetal onderwijzers het om in 1896 de  gymnastiekvereniging Sparta op te richten. In een schuur aan de Bergstraat werden de eerste trainingen gegeven. Kort daarna ging men naar een voormalige kolenbergplaats met houten vloer. Niet ideaal, want bij springoefeningen stoof het kolengruis uit de naden van de vloer omhoog. Op weg naar de zaal hielden de sporters hun gymkleding onder hun dagelijkse kleren verborgen om te voorkomen dat zij onderweg lastig gevallen zouden worden. De club begon met tien leden. Dames werden niet toegelaten. Op de foto van het 25-jarig bestaan in 1921 staan de leden, de leiders en het bestuur afgebeeld: allemaal mannen.


Carel Verhoef, 2019



Het boek 'Ede 1850-1900. Een Veluws dorp op de drempel van de moderne tijd' is hier te bestellen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten