De laatste dagen van Pompeii
Op het Heymans Lyceum in Groningen had uw Boekenbeer in de zestiger jaren het geluk een geschiedenisleraar te treffen die in het vertellen van mooie meeslepende historische verhalen zo'n beetje zijn hoofddoel van zijn leven zag. De man met de bijnaam PEUKIE was klein, droeg altijd verfomfaaide pakken en op het grote half kalende hoofd parelden regelmatig zweetdruppels. Maar niemand die daar van opkeek. Mijn geschiedenisleraar werkte voor de klas altijd met een grote witte zakdoek om te deppen in de ene hand en een krijtje in de andere om zo nu en dan iets wat van belang was om te onthouden op het bord te kalken. Hoe die man zich gedroeg of er uit zag was van geen enkel belang. Ademloos hing de hele klas aan zijn lippen, slechts oprecht gestoord door de zoemer die ons er op attent maakte dat het heerlijk uurtje alweer om was. Zuchtend grepen we dan naar onze tassen en zachtjes napratend en een beetje wereldvreemd – als na een indrukwekkende film in de bioscoop – verlieten we dan steeds weer het leslokaal. De tijdmachine was gestopt, uitstappen maar. Zo lieve lezers moeten jullie ene ROBERT HARRIS, ex-journalist van de BBC en inmiddels wereldberoemd Brits schrijver (vader van vier kinderen) ook zien wanneer hij ergens in Zuid-Engeland in Hungerfurd een wildvreemde klas zou binnen stappen om aan de ketende leerlingen opeens zijn boek Pompeï zou gaan voorlezen. De magiër Harris van historische feiten en fictie weet steeds een thriller te componeren om u tegen te zeggen. Als er iemand een plezier in schrijven moet hebben is hij het wel. Want Harris speelt het telkens opnieuw klaar. Zo maakt hij van een van de grootste natuurrampen die er ooit op moeder Aarde plaats vond bijvoorbeeld een thriller van jewelste.
Een tipje van de sluier? Het is een hete broeierige week aan het eind van augustus. De beste plaats om aan de hitte te ontsnappen is de prachtige baai van Napels. Langs de kust vertoeven er de rijken van het Romeinse Rijk in hun pompeuze villa's in de badplaatsen Baiae, Herculaneum en de meest decadente Pompeï. Slechts één man maakt zich zorgen. De ingenieur Marcus Attilius die zojuist de leiding over het Aqua Augusta gekregen heeft. Het enorme aquaduct dat een kwart miljoen mensen van vers water moet voorzien. Zijn voorganger is amper twee weken terug op mysterieuze wijze verdwenen en er is een probleem met de toevoer van de Augusta – ten noorden van Pompeï, op de flanken van de Vesuvius Aquarius Attillius – fatsoenlijk, integer en slim – belooft opperbevelhebber van de vloot admiraal (en tevens beroemd geleerde) Plinius dat hij het aquaduct zal repareren. Maar als hij de tocht naar de Vesuvius onderneemt ondervindt hij dat er krachten zijn waar zelfs het machtigste rijk ter wereld niet tegenop kan....
Als geen ander heeft schrijver Harris gevoel voor het dagelijkse leven rond Pompeï. En hij doet dat meteen al aan het begin van het boek met een wrede maar aldaar niet ongewone gebeurtenis te beschrijven. Ik citeer: "In Villa Hortensia, het grote landhuis aan de kust pal ten noorden van Misenum , werden voorbereidingen getroffen om een slaaf ter dood te brengen. Hij zou aan de palingen worden gevoerd. Die praktijk was niet onbekend in dit gedeelte van Italia, waar zoveel van de grote huizen rond de Baai van Neapolis een eigen, uitgebreide viskwekerij hadden. De nieuwe eigenaar van Villa Hortensia, de miljonair Numerus Popidius Ampliatus, had het verhaal voor het eerst als jongen gehoord: hoe de aristocraat Vedius Pollio , een tijdgenoot van keizer Augustinus , onhandige bedienden als straf voor het breken van borden in zijn palingvijver placht te gooien. Hij verwees daar vaak naar als zijnde een perfecte illustratie van wat inhield om macht te bezitten. Macht, verbeelding, geestigheid, een een zekere stijl. Dus toen vele jaren later ook Ampliatus in het bezit van een viskwekerij kwam en toen een van zijn slaven ook iets zeldzaams en waardevols kapotmaakte, schoot dat precedent hem natuurlijk te binnen. Ampliatus was zelf als slaaf geboren; dit was hoe hij meende dat een aristocraat zich diende te gedragen. De man was zoals te doen gebruikelijk tot op zijn lendendoek ontkleed. Zijn handen werden op zijn rug vastgebonden en hij werd naar de rand van de zee gevoerd. Er werd een mes langs allebei zijn kuiten gehaald om een aantrekkelijke hoeveelheid bloed te doen vloeien, en hij werd bovendien besprenkeld met azijn, want men zei dat palingen daarvan door het dolle heen raakten. Het was laat in de middag en bloedheet. De palingen hadden hun eigen bassin, aangelegd op ruime afstand van de overige vijvers om de vissen gescheiden te houden. Dat was bereikbaar via een smalle betonnen loopbrug die in de baai uitstak. Deze palingen waren murenen, berucht om hun agressie. Ze hadden een lijf zo lang als dat van een man en zo dik als een menselijke romp, een platte kop, een brede snuit en vlijmscherpe tanden. De viskwekerij van de villa was 150 jaar oud, en niemand wist hoeveel palingen zich verscholen in de doolhof van gangen en schimmige ruimten die in de bodem van de ruimten die in de bodem van de zee ingebouwd waren. In elk geval vele tientallen en waarschijnlijk honderden. De oudere palingen waren monsters, en verscheidene van hen droegen sieraden. Een, aan wiens borstvin een gouden oorring bevestigd was, zou een favoriet van keizer Nero zijn geweest. De murenen joegen deze slaaf extra veel angst aan omdat- en Ampliatus genoot van de ironie -het lange tijd zijn verantwoordelijkheid was geweest om hen te voeren. Hij schreeuwde en worstelde al voordat hij de loopbrug op gesleurd werd. Hij had de palingen elke ochtend in actie gezien als hij hun maaltijd van vissenkoppen en kippendarmen in het water wierp: het zachte trillen en daarna het kolken van het water als ze bloed bespeurden, en de manier waarop ze uit hun schuilplaatsen kwamen aanschieten om om het voer te vechten en het aan stukken te rijten. Op het elfde uur, ondanks de verstikkende hitte, daalde Ampliatus persoonlijk uit de villa af om te kijken, begeleid door zijn zoon Celsinus, samen met zijn huismeester Scutarius, een paar leden van de zakelijke cliëntèle (die met hem waren meegereisd uit Pompeii en al sinds de vroege ochtend bij hem rondhingen, hopend op een diner) en een menigte van omstreeks honderd andere mannelijke slaven , die, zo had hij besloten, baat zouden hebben bij het zien van dit schouwspel. Zijn vrouw en dochter had hij bevolen binnen te blijven; dit was niets voor vrouwen. Er werd een grote stoel neergezet en kleinere voor zijn gasten. De naam van de slaaf die de fout had begaan kende Ampliatus niet. Toen hij eerder dat jaar de villa had gekocht voor een slordige tien miljoen , was hij inbegrepen geweest bij de partij slaven die bij de visvijver werkten. Langs de kust die bij de villa hoorde werden tegen hoge kosten allerlei soorten vissen gekweekt: zeebaarzen, platvissen, papegaaivissen en goudbrasems, lamprei, kongeraal en heek. Maar verreweg de kostbaarste van Ampliatus'zeeschatten -hij rilde als hij er aan dacht wat die daar voor betaald had en hij hield niet-eens zo veel van vis- was de mul, de delicate zeebarbeel, berucht lastig om te houden , in een kleuernscala van lichtroze tot oranje. En die vissen had de slaaf gedood. Uit kwaadaardigheid of incompetentie, dat wist hij niet en kon hem ook niets schelen. Toen hij het zag had hij onmiddellijk zijn vonnis uitgesproken: Gooi hem voor de palingen. Een mul was trouwens bij de huidige marktprijzen vijf keer zo veel waard zijn als de ellendige slaaf die geacht werd voor hen te zorgen. Maar toen die krijsend naar de rand van de vijver werd getrokken schreeuwde hij dat het door het water kwam. Ze moesten de aquarius halen. Maar Ampliatus voelde zich machtig als een god . Even wachtte hij terwijl hij die sensatie proefde. Toen draaide hij abrupt zijn pols en stak zijn duim priemend omlaag. Geef hem zijn vet!
In die decadente Romeinse wereld vlak voor de alles vernietigende natuurramp rond Pompeii doet schrijver Harris zijn verhaal. Hij trekt iedere argeloze lezer ongewild mee in die laatste snikhete dagen waarop la dolce vita van de Romeinen in volle hevigheid doorging en er nog geen wolkje aan de lucht was. De jonge energieke aquarius Marcus Attiliusheeft niet zo'n belangstelling voor die lucht. Hij kijkt naar de grond en naar de aquaducten. Wanneer erop zo'n zomerse dag plotseling bekend wordt dat een groot aantal steden in het zuiden opeens geen water meer krijgt mag de onverschrokken ingenieur weg en waterbouw dat op geheel eigen deskundige wijze gaan oplossen. Om te beginnen met een onderzoek naar wat er zoal is mis gegaan. Hij krijgt daarbij te maken met allerlei slag mensen: slaven, meesters, corrupte bestuurders, onwillige medewerkers en al met al krijgt hij langzaam aan het bange vermoeden dat er iets heel erg mis is: op sommige plaatsen ruikt hij zwavel, de aarde beweegt en luchtstromen die hij niet begrijpt zijn er ook. Een grote verstopping in het aquaduct en bijvoorbeeld een vijver vol dode vissen blijken -zoals hij later beseft – nietige voortekenen. Maar de onverzettelijke aquarius zoekt verder en komt er ten slotte achter dat alle problemen zich schijnen te concentreren rond de berg Vesuvius. Ook al weten alle lezers die aan het boek beginnen de uitslag al, het boek blijft van bladzijde na bladzijde nagelbijtend spannend. Knap van Robert Harris is trouwens steeds weer hoe hij er in slaagt om abstracte historische figuren te vertalen naar een levendig verhaal met echte mensen en hun tekortkomingen. In Pompeii wordt de naderende uitbarsting van de Vesuvius gevolgd door de ogen van een aantal personages die -ondanks een gebrek aan wetenschappelijke verklaringen- aanvoelen dat er een natuurkracht opspeelt die alras afrekent met de decadente houding van de bewoners. Iedere lezer voelt al gauw sympathie voor de nuchtere beheerder van de aquaducten Marcus Attilius en vooral zijn afkeer voor de volgevreten notabelen. En natuurlijk wordt het idee van een maakbare wereld (waar we ook nu nog volop last van hebben) en dat superieure gevoel van overheersing op de natuur gelogenstraft . En ditmaal opnieuw door de onberekenbare endogene en exogene uitlatingen van planeet Aarde. Of zoals de grote wetenschapper Plinius uit die tijd nog vlak voor zijn eigen ondergang droogjes vast stelt: meten is niet weten. Niemand die deze historische roman aanschaft zal daar na lezing spijt van hebben. Uitgeverij Argus. Voor de altijd nieuwsgierigen onder ons en zij die weten dat de geschiedenis zich altijd weer zal herhalen.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten