21 Gezondheidszorg

In ieders leven speelt de zorg voor de gezondheid een uiterst belangrijke rol. Daar hangt letterlijk ons leven vanaf. Zeker in tijden van epidemieën was vroeger de angst besmet te worden buitengewoon groot.
Ook in Ede zijn in het verleden meerdere malen tientallen slachtoffers gevallen door ziekten als pest, dysenterie, mazelen, roodvonk, tuberculose, pokken en cholera. Een zeer gevaarlijke ziekte was vlektyfus die door kleerluizen van mens op mens werd overgebracht. Buiktyfus was een permanente bedreiging. Er was geen goede medische verzorging, geen vuilverwerking, geen riolering. Het marktplein en de straten waren bezaaid met de resten van groente, vlees, kadavers en de uitwerpselen van koeien en varkens.1 De slechte hygiënische omstandigheden en de slechte kwaliteit van het drinkwater, zorgden ervoor dat besmettelijke ziekten snel epidemische vormen aannamen.

Dat gold niet alleen voor ons land. 1832, 1848, 1853 waren jaren van Europese epidemieën met honderdduizenden slachtoffers. Toen in 1865 een nieuwe choleraepidemie dreigde, kwam de liberale minister Thorbecke met een viertal wetten over de gezondheidszorg. De titel arts werd ingevoerd. Er kwam een universitaire opleiding voor artsen. Alleen zij kregen de bevoegdheid om de geneeskunde uit te oefenen.
Deskundigen begonnen een zoektocht naar de bronnen van de besmettingen. Men ontdekte tyfusbacteriën in de sloten. Met dat slootwater werden de melkbussen schoongemaakt. Ook het drinken van ongekookte melk bleek een besmettingshaard. In de steden kwam een verbod om fecaliën in het openbare water te lozen. Die werden voortaan in tonnen opgehaald.

In de gemeente Ede beperkten de maatregelen bij een epidemie zich meestal tot het gebruik van de gewone ontsmettingsmiddelen. De afvoergoten en mestputten werden dan met zand dichtgegooid. Toen in 1892 een cholera-epidemie werd verwacht, werden de openbare scholen dagelijks met carbolzuur gereinigd. Verder kwamen er van het gemeentebestuur geen initiatieven, ondanks de adviezen en waarschuwingen van deskundigen. Regelmatig rapporteerde de gezondheidscommissie, maar de adviezen werden zelden opgevolgd. Huisarts Gevers Leuven pleitte vergeefs voor een stortplaats voor afval en huisvuil. Hij sprak ook zijn zorg uit over het feit dat tbc in de gemeente Ede relatief veel voorkwam en dat de bevolking weinig begrip had voor de meest elementaire vormen van zindelijkheid.

Pas in 1932 kreeg Ede-centrum als eerste deel van de gemeente een riolering. De rest moest nog vele jaren wachten. Tot dat moment dumpten de inwoners de toiletopbrengst in de beerput achter het huis. De inhoud van de beerput diende als mest voor de moestuin. Daarnaast had men een zinkput voor het was- en spoelwater. Was de zinkput te vol dan loosde men het afvalwater in de goten langs de openbare weg. Deze open riolen waren broedplaatsen voor bacteriën met veel stankoverlast. De palingrokerij, de lijmfabriek, de mosterdmalerij en

zelfs de ‘zelf-slachtende’ slagers loosden in de greppels langs de straat. Vanaf de Paasberg liep het afval- en hemelwater naar het Maandereind, dat het afvalputje van Ede werd.

Nog in de negentiende eeuw was er in de buitendorpen vaak geen arts, omdat de bevolking daar te arm was. Voor medische hulp moest betaald worden. Alleen de allerarmsten kregen gratis medische hulp van de dichtstbijzijnde arts. Ook kregen zij gratis verloskundige hulp op vertoon van een kaart van het armbestuur. Die kaart moest na de bevalling worden ingeleverd. 

Natuurlijk had men vertrouwen in de kunde van een arts, maar men hechtte tot in de twintigste eeuw grote waarde aan ouderwetse, min of meer magische geneesmethoden,. Pootjes van een levende mol zouden tegen reumatiek helpen. Schroeven uit een gebruikte doodskist hielpen tegen verschillende andere kwaaltjes. Sommige protestanten haalden bij rooms-katholieken wijwater waaraan zij een geneeskrachtige werking toekenden.
Op de avond vóór Pasen schepte men een flesje water uit de Barnevelder beek. Aan stromend water kende men een bijzondere kracht toe. Het werd gebruikt om zogenaamde ‘zere’ ogen te wassen. Als men het flesje goed afgesloten bewaarde, bleef de geneeskrachtige werking lang behouden, zo meende men.
Ook experimenteerde men met vele kruiden. Menige ‘kruidendokter’ heeft daar een goed belegde boterham mee verdiend.
Het was een vorm van gezondheidszorg gebouwd op volkswijsheden, bijgeloof, aangevuld met de kruidenkennis van de toenmalige ‘Klazien uut Zalk’. 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten