24 Politie (11-12-2021)

Wie in de negentiende eeuw rijk wilde worden, moest vooral niet naar de politie. Van het salaris kon een gezin slechts aardappelen en olie voor de huiskamerlamp kopen. Vlees aten zij niet want dat was veel te duur. De meeste agenten zochten bijbaantjes om hun gezin in leven te houden.

In de gemeente Ede waren omstreeks 1850 vijf veldwachters ‘in bedrijf’. Zij verdienden ongeveer f.4.- per persoon per week. Ook zij probeerden wat extra inkomsten te verwerven. Dat lukte; bij de boeren haalden zij eieren voor hun klanten en zij brachten omstreeks nieuwjaar almanakken rond. Toen de gemeenteraad daar achter kwam, werd het eieren en andere boodschappen bezorgen in 1872 prompt verboden. Gelukkig kwam de raad hen tegemoet door hun traktement met het formidabele bedrag van f.7.- per jaar te verhogen. De almanakken mochten zij rond nieuwjaar nog wel verspreiden.

In 1862 verdiende een veldwachter in het dorp Ede f.250.- per jaar. Rond 1900 werd dat f.400.-. Dat was enkele tientjes meer dan zijn collega’s in de buitendorpen, want de Edese ‘Bromsnor’ werd gezien als de chef van de anderen. Waren de salarissen niet bepaald aan de hoge kant, ook van de pensioenen kon men geen wereldreis maken. Veldwachter A. Veenendaal kreeg in 1882 een pensioen van f.100.- per jaar, dat is minder dan f.2.- per week.

Naast salariëring bestond er onder andere voor de politie een systeem van gratificaties. Zo kreeg buitengewoon veldwachter A.Kampert van de Gouverneur der Provincie Gelderland een beloning van f.7,50, omdat hij tijdens de eerste drie maanden van 1850 bij de zandverstuivingen had geholpen. Kennelijk vertrouwde de Gouverneur de burgemeester niet, want in zijn brief schreef hij: “Ik verzoek UEdele hetzelve aan den belanghebbende te doen uitreiken en mij de goede ontvangst te berichten”. 

Veldwachter A. van den Brink viel in 1861 in de prijzen. Hij kreeg een douceurtje van  f.10.- omdat hij de brandstichter Alef Jan Wolsink uit Velp aan de justitie had overgeleverd. Wolsink bezat een woning in Ede, die hij aan de gezinnen van Cornelis Jansen en Tijs Tijssen had verhuurd. Tijdens hun verblijf had Wolsink de woning in brand gestoken. Daarbij waren de levens van de bewoners in groot gevaar geweest. De afloop was voor de pyromaan minder gunstig dan voor de veldwachter. Het Provinciaal Gerechtshof van Gelderland veroordeelde Wolsink ter dood. Het is niet bekend of de doodstraf is uitgevoerd.

De veldwachters waren hun salaris dubbel en dwars waard. Dat blijkt uit de jaarverslagen  van de burgemeester. In 1850 schreef hij dat er veel minder overtredingen waren dan in voorgaande jaren, dankzij de dienstijver van de veldwachters. Een jaar later was het nog rustiger in Ede-dorp. Over het hele jaar gerekend, bekeurde veldwachter Busser twee personen “wegens houtdieverij, burengeruchten en vechterij” en één “wegens belediging van een beambte der Policie en vechterij”. De boosdoeners hadden de pech dat taakstraffen nog niet waren uitgevonden, want zij kregen allen een gevangenisstraf en één bovendien een geldboete. 

In het ogenschijnlijk rustige boerendorp gebeurde tussen 1850 en 1900 wel degelijk het een en ander. In de jaarverslagen van de burgemeesters worden genoemd:  “moedwillige aanranding op de publieke weg”, vee “op eens anders grond” laten grazen, een kindermoord, brandstichtingen, diefstallen, bedelarij en landloperij, laster en belediging, frauduleus vervoer van gedistilleerd, dronkenschap, politieovertredingen, sjoemelen met de ijk der maten en gewichten, insluipingen en het “leggen van brandbrieven”, dat wil zeggen: geld afpersen door met brandstichting te dreigen. 

Bij het handhaven van de orde konden de veldwachters rekenen op de steun van een aantal burgers. De burgemeester kon bij relletjes alle tot persoonlijke dienst verplichte ingezetenen via de veldwachter oproepen om terstond te verschijnen. Deze burgers wapenden zich met een stok en dienden alle bevelen van hun superieuren onverwijld uit te voeren. Wie geen gehoor gaf aan de oproep, werd beboet tot een bedrag van f.3.- tot f.10.-; wie een bevel negeerde moest tussen de f.5.- en f.25.- betalen. Tevens liep men het risico van een gevangenisstraf tot drie dagen.

Om te zorgen dat politieagenten zich netjes zouden gedragen werd onder andere in Rotterdam bepaald dat zij tijdens de dienst niet mochten vloeken, geen mensen mochten bespotten en niet mochten roken of pruimen.

Tot 1916 had Ede niet eens een politiebureau. In het gemeentehuis aan de Notaris Fischerstraat was een ruimte beschikbaar gesteld. In 1916 kon een politiebureau worden betrokken in een nauw steegje tussen de Notaris Fischerstaat en de Bospoortstraat. ’s Avonds brandde er een rode lantaarn bij de ingang. 
Pas in 1940 kwam er een nieuw politiebureau.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten