3. Een negentiende eeuwse agrarische samenleving op de Veluwe

Tegenwoordig hebben wij vaak een ietwat romantisch beeld bij het boerenleven van vroeger. Oude leesboekjes voor de Lagere School versterkten het beeld van het vrije leven op de boerderij, met zijn kakelende kippen, rondhuppelende lammetjes en de altijd groene weilanden vol bloeiende boterbloemen. Tegenwoordig zijn er heel wat mensen die graag zo’n oud boerderijtje opkopen en daar gaan rentenieren.

In de negentiende eeuw leidden de meeste boeren, zeker op de Veluwe, een armoedig bestaan. Vooral in het buitengebied woonden velen nog in plaggenhutten.
De meeste boeren hadden een klein gemengd bedrijf, een combinatie van landbouw en veeteelt. De nadruk lag op de akkerbouw; het vee werd gebruikt als trekdier en als mestleverancier.
De grond was onvruchtbaar en droog. Kunstmest was er nog niet. In de namiddag dreef de boer zijn schapen naar de schaapskooi. De mest van de dieren werd de volgende dag over het land gestrooid. De armste boeren hadden geen schapen. Soms kwam daar een driftherder langs. Dat was een schaapherder die wel schapen, maar geen stal had. Die mocht dan zijn schapen ’s nachts in de stal laten. De schapen kregen daar gras en spurrie, een eenjarige plant die als veevoer werd gebruikt. De mest van de schapen was dan voor de boer.

Op de engen, de hogere gronden, werden voornamelijk rogge, aardappelen, boekweit, haver, knollen en spurrie verbouwd. Wat de boerderij opleverde, was voor eigen gebruik en voor de inwoners van het dorp. Door de geïsoleerde ligging van Ede en de mulle zandwegen, was er vrijwel geen handel.
Het boerenleven was een hard bestaan. Lange werkdagen, vrouwen en kinderen moesten meehelpen. Landarbeiders verdienden f. 0,60 tot f. 0,80  per dag. In de winter was er op het land niets te doen, waardoor  velen dan geen inkomsten hadden. Sociale voorzieningen waren er niet. Om wat bij te verdienen, ging men in de zomer bosbessen plukken en in de herfst eikels en beukennootjes zoeken. Sommige boeren verhuurden hun paard en wagen.

Voor de oogst was men zeer afhankelijk van het weer. Vaak mislukte de oogst door nachtvorst, grote droogte of juist door te veel regenwater. Veel gelovigen hoopten dat God voor een goede oogst zou zorgen. In het Tegelmuseum in Otterlo zijn drie prachtige tegeltableaus met een ploegende boer en het onderschrift: “De bouwman verwacht van ’s Heeren hand, een milde zegen op zijn land”.
Ook de aardappelziekte speelde een grote rol in het leven van de allerarmsten. Velen leden dan honger. Hun hoofdvoedsel bestond uit aardappelen. Het gevolg was dat in zulke moeilijke tijden verschillende gezinnen besloten naar elders in ons land re verhuizen of zelfs te emigreren, meestal naar de Verenigde Staten.

Door de toenemende wereldhandel via het vervoer met stoomschepen, werd goedkoop graan ingevoerd uit de Verenigde Staten, Rusland, Argentinië en later ook uit Australië en Canada. Het gevolg was een grote graancrisis op de Veluwe. Veel boeren gingen over op het fokken van varkens en kippen. Dit was het begin van de huidige varkens- en kippenfokkerijen. Lag de nadruk voorheen op de landbouw, thans legde men zich toe op de veeteelt. De consumptie van vlees en boter nam toe.
Dan blijkt de waarde van het spoorwegnet. De export van varkens en kalveren naar Engeland werd belangrijk. Door de groeiende internationale handel stegen de prijzen. Bij de varkensslachterij van Levi bij station Ede-Wageningen, werden dagelijks enkele honderden varkens per trein aangevoerd. De voorman van zijn bedrijf presteerde het om in één minuut 46 varkens “den genadesteek toe te dienen”. Er waren weken dat er meer dan duizend varkens werden geslacht.

Belangrijk was ook het werk van de Gelderse Maatschappij van Landbouw. Zij leerde de boeren kunstmest en landbouwmachines te gebruiken en de grond beter te bewerken.

Wie aan de Veluwe denkt, denkt aan schapen. Jarenlang ging het met de schapenteelt voorspoedig. De wol werd meest op de wolmarkt in Gelders Veenendaal verkocht. Tot ook de veeteelt omstreeks 1870 te maken kreeg met de uitbreidende wereldhandel. Goedkope Australische en Nieuw-Zeelandse wol en rundvlees deden de prijzen dalen. Het aantal Veluwse schapenhouders liep gestaag achteruit.

Wat heel veel Edenaren niet weten, is de rol van de bijenteelt in de gemeente Ede. Ede was “de bakermat van de Nederlandse imkerij”. De vele heide- en boekweitvelden leenden zich uitstekend voor de bijenteelt. Begin negentiende eeuw was 62,2 % van de gemeente Ede bedekt met heide. De bijenmarkt van De Klomp was de grootste van de wereld. Soms werden daar meer dan tienduizend bijenvolken verhandeld. De markt duurde vaak meer dan een week. In 1858 werd er van 6 t/m 17 juni markt gehouden. Er arriveerden toen 111 wagens geladen met 7673 bijenkorven. De imkers kwamen uit de regio Veluwe/Betuwe, maar ook uit Brabant, Overijssel en Drenthe.

Godsdienst kan een splijtzwam in de samenleving zijn. Zelfs bij de imkers. Op de bijenmarkt van De Klomp ontstond een scheiding tussen de protestantse en de rooms-katholieke imkers. De breuk leidde tot een aparte markt voor de protestantse bijen te De Klomp en een voor de rooms-katholieke te Veenendaal.
Nog in 1930 was de Veenendaalse bijenmarkt de grootste van de wereld.

Ook de bijenteelt was sterk afhankelijk van de weersgesteldheid. Guur en nat weer is ongunstig voor de bijen. Onder andere 1866 was een rampjaar door het natte weer in de bloeitijd van de boekweit. De  bijenteelt mislukte volledig. Daarom wendden de imkers zich tot de weergoden. Bij de bijenstal “t Immeloo” aan de Kreelseweg staat het standbeeld van ‘de biddende imker’. Op zijn rug is plaats voor een bijenkorf en op buikhoogte zit een vlieggat in zijn colbertje.


Carel Verhoef, 2019


Het boek 'Ede 1850-1900. Een Veluws dorp op de drempel van de moderne tijd' is hier te bestellen.



Geen opmerkingen:

Een reactie posten