26 Brandweer (26-2-2022)

In de Geschiedenis van Ede staat over de brandweer: “Daar is weinig van te vertellen. Het materieel wordt onderhouden en als het nodig is, aangevuld”. Dat klinkt vertrouwenwekkend, maar over de inzetbaarheid van het materieel lees ik: “Meestal was het vrij goed bruikbaar”. Dat laat ruimte voor enige twijfel.

De pompen waren lang niet altijd in goede staat. De gemeente moest erop toezien dat de ‘pompgerechtigden’ de pomp in goede staat hielden. Notaris Fischer in zijn functie van Opperbrandmeester Generaal beklaagde zich in 1856 in een brief aan het gemeentebestuur over de slechte conditie van de pompen en de waterputten. “Verreweg de meeste openbare pompen in dit dorp hebben gebrek aan water”, aldus de noatris. Kennelijk had niet iedereen in de gaten dat water een essentiële voorwaarde is voor het blussen van een brandje. De Opperbrandmeester Generaal pleitte voor het uitdiepen van de putten.

Ook trok de brandweer er niet altijd op uit. In 1856 brandden er twee woningen af. Die waren volgens het jaarverslag van de burgemeester echter “te ver afgelegen om tot stuiting van den brand de bluschmiddelen aan te voeren”. Niet zo’n prettige mededeling voor de bewoners van het  buitengebied.

Brand blussen was geen eenvoudige zaak. Bij een brand moesten de brandweerlieden eerst het bluswater oppompen uit de gemeentelijke brandputten of bij particulieren. Een nogal omslachtige methode. Bovendien liet het materieel van de brandweer wel degelijk het een en ander te wensen over. In 1869 besloot de gemeenteraad de lege petroleumvaten van de straatverlichting in te richten als ‘brandtonnen’ voor het vervoer van bluswater. Deze tonnen stonden op een slede. Die slede werd aan een touw door de brandweerlieden voortgetrokken zodat het bluswater zo snel mogelijk bij de brand gebracht kon worden.

Maar een brand hield wel grote risico’s in. Vrijwel alle boerderijen hadden rieten daken, houten schuren en een hooiberg. In de dorpen stonden de huizen en boerderijen dicht bij elkaar. Het brandgevaar was groot. Een goed uitgeruste brandweer was geen overbodige luxe. De dorpelingen zouden blij moeten zijn met hun brandweerlieden. Toch reageerde men in Lunteren in 1850 op dezelfde manier als waarop in onze tijd hulpverleners onheus worden bejegend. Op 20 april van dat jaar werd in de gemeenteraadsvergadering een klacht van de Edese brandweer besproken. Na de brandmelding waren de brandweerlieden met hun beide brandspuiten onmiddellijk naar Lunteren getrokken, waar zij samen met de bluscompagnie uit Barneveld, alles hadden ondernomen om de brand zo gauw mogelijk meester te zijn. In hun klacht schreven de Edese spuitgasten dat sommige Lunteranen “haat en laster” en de “meest ongerijmde en onfatsoenlijke geruchten” over de bluscompagnieën hadden verspreid. Er waren zelfs “lasterlijke aantijgingen” geuit. De brandweerlieden zouden alleen naar Lunteren zijn gekomen om te eten en te drinken. Zij zouden in een staat van dronkenschap hebben verkeerd.

De raad liet zich informeren en putte zich daarna uit in loftuitingen aan het adres van de brandweerlieden. Hij verklaarde dat vooral de Barnevelders “den meesten lof toekomt”. De raad besloot de ‘brandbluscompagnieën’ “opregten dank te betuigen” voor de zo spoedige hulp “waaraan het alleen te danken is dat niet het geheele dorp Lunteren eene prooi der vlammen is geworden”. Als blijk van erkentelijkheid en ter beloning en aanmoediging schonk de raad aan spuit nr.1 een premie van f.20.-, aan spuit nr.2: f.10.- en aan de Barnevelders een premie van f.30.-

Kennelijk werkten de premies, want toen op 30 maart 1852 brand uitbrak bij de weduwe Schreuder in Lunteren, waren de brandweerlieden opnieuw snel ter plaatse en wisten zij te voorkomen dat de brand zich zou uitbreiden. De bluscompagnieën van Barneveld, Ede en Lunteren kregen van de gemeenteraad de “loffelijkste melding”. Dit keer werd geen premie toegekend, want, zo redeneerde de raad, de Onderlinge Brandwaarborgmaatschappij te Amsterdam had al premies uitgereikt en de manschappen waren bovendien te Lunteren “behoorlijk onthaald”. Ondanks de krenterigheid van de raad verrichtte de brandweer bij elke  brand uitstekend werk. En dat tegen een betaling van f. 0,40 per uur. Geen kledingtoelage en geen gratis laarzen. Verschillende spuitgasten liepen op klompen.

Elke brand trekt nieuwsgierigen. Om deze ‘ramptoeristen’ op afstand te houden en plunderingen te voorkomen, werd het brandreglement herzien. Daarbij werd in ieder dorp een brandpiket “zamengesteld uit de notabelste ingezetenen”. Zij kregen de opdracht bij een brand de orde te handhaven. Ter herkenning kreeg elk lid een piek met een gekleurde stok.

“Daden van moed en zelfopoffering (-) hebben wij dit jaar niet te vermelden”, zo schreef de burgemeester in het jaarverslag over 1856. Hij werd op zijn wenken bediend. 

Het volgende jaar was er op 13 juli een dramatische gebeurtenis in Lunteren. De arbeider Peel Schut was in de buurtschap De Valk op het veld aan het werk toen ’s avonds omstreeks acht uur een hevig onweer losbarstte. Hij zocht een schuilplaats in “de hut” van Hendrik de Rooy, wiens vrouw en zes kinderen in de woning aanwezig waren. 

Vrijwel geen boerderij had toen een bliksemafleider. 

Peel Schut was nog maar net binnen toen de hut door een bliksemstraal werd getroffen. Schut was onmiddellijk dood. 

Ook mevrouw De Rooy en vijf van haar kinderen werden geraakt en vielen bewusteloos op de grond. De woning vatte vlam. Alleen het negenjarig zoontje Cornelis, bleef ongedeerd. “Met eene verwonderlijke bedaardheid” sleepte hij zijn achtjarige zusje Teunisje uit de brandende hut. Daarna is hij door de vlammen naar binnen gegaan en heeft hij zijn vijfjarige zusje Zwaantje naar buiten gesleept. Vervolgens is hij opnieuw het brandende huis binnengegaan in een poging zijn kermende moeder, zijn twee broertjes van twee maanden en twee jaar en zijn zusje van zes jaar te redden, maar “alle zijn krachtsinspanningen mocht de brave jongen niet verder baten”. Zij kwamen in de vlammen om. Tenslotte heeft hij nog de koe geprobeerd te redden, maar het dier liep tegen de vlammen in. Hij moest haar loslaten om te voorkomen dat het dier hem zou meeslepen. De volgende morgen vond men de verkoolde lichamen. 

De Lunterse gemeenschap zamelde geld in voor de herbouw van de woning en voor nieuwe meubelen. Voor de heldhaftige Cornelis werd een fonds ingesteld om zijn opleiding te betalen en om later een bedrijf te beginnen. 


Geen opmerkingen:

Een reactie posten