Festiviteiten rond het Oranjehuis hebben altijd een duidelijke pr-functie. In de negentiende eeuw was dat niet anders. Ook toen was het imago van de Oranjes door vele schandalen danig geschonden. Daarom werd elke gelegenheid aangegrepen om het beeld van het vorstenhuis ietwat op te vrolijken. Aan dit ‘danig geschonden imago’ heeft met name Koning Willem III, die 41 jaar over ons land heeft geregeerd, een flinke bijdrage geleverd. Willem III was impopulair. In 1887 verscheen onder de titel “Koning Gorilla” een schandaalkroniek over zijn aanvallen van razernij, zijn gewelddadigheid, zijn seksuele escapades en drankzucht. Een man “met een zeer variabel humeur”. Maar dat is veel te zacht uitgedrukt.
In 1849 organiseerde de toen nog kroonprins Willem een feestje op paleis Het Loo. Het werd een ‘roze ballet’. Op de statietrap van paleis Het Loo dansten blote meisjes. Willem liep daar stomdronken rond. Toen verscheen plotseling zijn vader, koning Willem II, bovenaan de trap. Willem trok zijn revolver en schoot zijn vader pardoes dood, volgens de auteur van een deze week verschenen boek.
De in die tijd zeer bekende dominee J.H. Gunning weigerde de vorst tijdens een kerkdienst in de naar de koning genoemde Willemskerk in Den Haag de toegang tot het heilig avondmaal. Zelfs de antirevolutionaire en gereformeerde voorman, ds. Abraham Kuyper, twijfelde aan het voortbestaan van de monarchie; hij beschouwde “het Huis Van Oranje als een aflopende zaak”.
De Veluwe behoort echter nog steeds tot die landsdelen waar de populariteit van ons vorstenhuis vrijwel ongeschokt aanwezig is. Dat was zelfs tijdens het bewind van Willem III het geval. In Ede geen spoor van kritiek op de Majesteit. Dat blijkt uit de Oranjefeesten.
Zonder een cent uit de gemeentekas probeerde de bevolking van Ede van alle feestelijkheden rond het Huis Van Oranje nog wat te maken. Het dagelijks leven gaf weinig reden tot vrolijkheid; daarom maakte men graag gebruik van elke mogelijkheid tot een ‘verzetje’.
Op 17 november 1863 werd in Ede feestelijk gevierd dat ons land vijftig jaar daarvóór, na de ‘Franse tijd’, zijn zelfstandigheid had herwonnen en dat het Huis Van Oranje uit ballingschap was teruggekeerd. Het feest werd in Ede ’s morgens vroeg met klokgelui aangekondigd. De nationale vlag met oranjewimpel wapperde van vele huizen. Iedereen was met oranje getooid.
Ene heer Esser, die in 1813 na het vertrek van de Fransen, de driekleur op de kerktoren van Ede had geplaatst, mocht dat opnieuw doen. Ds. Brouwer van de Nederlands Hervormde Kerk hield, geheel in overeenstemming met het ‘drievoudig snoer: God, Nederland en Oranje’, “een plechtige toespraak vol oranjegloed”, zo staat in het verslag van de gemeenteraad. Er was een optocht van vijftig mannen te paard, begeleid door een grote menigte te voet die “gepaste liederen” zong en de burgemeester bij zijn woning ophaalde.
‘Behoeftige’ vrouwen boven de zestig jaar kregen brood, koffie en suiker. ‘Behoeftige’ mannen waren beter af; zij kregen een feestmaaltijd van brood, vlees en koffie, die bereid was, ik citeer, “door meer bevoorrechte ingezetenen”. In een met groen en oranje versierd gebouw zat de burgemeester aan de feestdis. Met de predikant en vele notabelen genoot hij van “een vaderlandsche pijp en een glas wijn”. Alle schoolkinderen werden op kosten van de gemeente getrakteerd. De oud-strijders van 1813 kregen allen een prijs uit een tombola. Bij de woning van de burgemeester vermaakte men zich “met naar den vogel te schieten”. In Lunteren organiseerde men oud Hollandse spelletjes als zaklopen, mastklimmen en balanceren op een bijenkorf. Wie in de prijzen viel, maakte kans op een deel van een vet varken, een koek of een sigaar. ’s Avonds was er een fakkeloptocht en de leerlingen van instituut ‘Hartelust’ mochten vuurwerk afsteken.
In de raadsvergadering van december 1863 deed de secretaris uitvoerig verslag: “Voor de gemeente Ede was de 17e november een waren feestdag. De dorpen waren allen met groen getooid”. Dat dit feest zo succesvol was verlopen, dankte men aan een aantal zeer ijverige ingezetenen, maar niet aan de raad. Die had besloten de feestviering geheel aan het volk over te laten “en [dat] er geene gelden behoeven beschikbaar gesteld te worden (-) alleen het vlaggen met oranjewimpel van alle publieke gebouwen, wenscht men te doen geschieden”, aldus het raadsverslag.
Waar men nog wel enig geld voor over had, was een afbeelding van Koning Willem III. Op voorstel van de burgemeester werd besloten in te tekenen op een portret van Z.M. in kleurendruk en voor slechts f.6.-
Elf jaar later, op 12 mei 1874, vierde Zijne Majesteit zijn 25-jarig regeringsjubileum. De publieke feestviering werd opnieuw aan de ingezetenen overgelaten; de raad nam geen enkel initiatief. In de junivergadering concludeerde de gemeenteraad dat het feest “met veel geestdrift was gevierd door het uitsteken der vlaggen, de groenversieringen, de illuminaties, de muziekuitvoeringen, de volksspelen, het onthaal der schoolkinderen, enz.”. De raad was zeer tevreden, vooral omdat ook dit feest de gemeente geen cent had gekost.
Op negentien februari 1887 vierde de koning zijn zeventigste verjaardag. Deze feestelijke gebeurtenis is “op de meest gepaste wijze in de gemeente gevierd” aldus het raadsverslag. De predikanten hebben “in een morgenbeurt in de kerken dien feestdag ingeleid, den Koning en Zijn Huis in Gods Hooge bescherming opgedragen en zijn de gemeente voorgegaan in het gebed om den zegen af te smeken voor Vorst en Vaderland. De opkomst van de gemeente was treffend”.
Er werd een collecte georganiseerd die ruim f.1.300.- opbracht. Bijna f. 1000.- ging naar de “algemene armen”. Zestienhonderd kinderen kregen chocolade, “oranjeappelen” en krentenbolletjes. Kosten: f.254,33. Ook kregen de kinderen een boekje, “waarvan”, aldus het raadsverslag, ”de inhoud strekt de kinderen in te prenten wat ons Vaderland naast God aan het Huis van Oranje en ook aan Willem III te danken heeft”. Kosten: f.62,78.
Uiteraard was voor geen enkel onderdeel van de feestelijkheden geld uit de gemeentekas beschikbaar gesteld.
Ook in tijden van rouw was de gemeenteraad attent en gaf hij blijk van welgemeend medeleven met het vorstenhuis, zoals bij het overlijden van koning Willem III in november 1890. De burgemeester herdacht in de raadsvergadering van december “met enige gevoelvolle woorden het droevig verlies door het Vaderland geleden in den dood van Zijnen geëerbiedigde Koning, Zijne Majesteit Koning Willem den derden”.
Ook de inhuldiging van de achttienjarige Wilhelmina in 1898 ging met de nodige feestelijkheden gepaard. In Gelders- en Stichts Veenendaal, waar doorgaans weinig reden tot feesten was, greep men de troonsbestijging van Wilhelmina aan, om voor de hele buurt een onvergetelijke viering te organiseren. Geld was er niet. Dus wendde het comité zich tot de gemeenteraad. Het had beter moeten weten. Geheel in de traditie van de raad werd ook voor deze feestelijkheden geen cent subsidie verstrekt.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten