In 1851 verdiende de burgemeester f. 800.- per jaar, de gemeente-arts f. 370.- Geleidelijk werden deze salarissen opgetrokken. Veertig jaar later kreeg de dokter f. 800.-, maar toen toucheerde de burgemeester al f.1600.- per jaar!
In 1857 werd Anna van den Broek benoemd tot vroedvrouw, toch en zeer verantwoordelijk beroep, voor een jaarsalaris van slechts f.100.-. Bij haar benoeming werd zij verplicht gratis hulp te verlenen aan behoeftige kraamvrouwen in Ede en Bennekom.
In Lunteren was mevrouw Van Merkenstein tot vroedvrouw benoemd voor een salaris van
“f. 75.- tot f. 100.-“. Dat werd dus f. 75.- Wetend dat de vroedvrouwen van Ede en Otterlo elk
f. 100.- ontvingen, vroeg mevrouw Van Merkenstein in 1860 en 1861 opslag. De raad besliste echter dat hij “geen vrijheid heeft gevonden aan haar verzoek te voldoen”. Mevrouw Van Merkenstein hield de eer aan zichzelf en nam ontslag. Voorlopig geen vroedvrouw in Lunteren.
De onderwijzerssalarissen waren zó laag dat elke schoolmeester tevens koster werd en daarnaast nog verschillende bijbaantjes had om in leven te blijven. Een onderwijzer verdiende net zo weinig als de kleermakers, naaisters, spinsters, speldenmakers en de groenteverkoopsters. Geen wonder dat er een bijna voortdurend ernstig tekort aan onderwijzend personeel was.
Ook de beloning voor veel andere gemeentelijke werknemers was ronduit schamel. De jaarwedde voor de doodgraver was f.55.-. Negentien jaar later werd zijn salaris opnieuw vastgesteld. In plaats van een salarisverhoging, kreeg hij f.3.- minder per jaar.
Ede telde twee waagmeesters. Die werkten het hele jaar 1866 voor respectievelijk f.50.- en f.35.- .
Ook de marktmeester haalde met f.15.- net niet de Balkenendenorm.
De salarissen van de markt- en waagmeester bevonden zich in 1891 nog op hetzelfde niveau als in 1866; in 25 jaar was daar geen cent bijgekomen.
Vakbonden die de belangen van hun leden zouden kunnen behartigen, waren er nog niet.
Maar het kon nog erger. In 1869 bepaalde de gemeenteraad dat de jaarwedde van de ‘keurmeester van ’t brood’ kwam te vervallen. Dit laatste besluit betekende wel een financieel meevallertje voor de gemeentekas, maar wie zou voortaan zorgen voor de goede kwaliteit van het dagelijks brood? Dat was nu juist de taak van de keurmeester!
Op die broodkwaliteit was wel eens wat aan te merken geweest. Er waren bakkers die het niet zo nauw namen en die knoeiden met het gewicht en de kwaliteit van het brood door in het deeg zemelen, peulvruchten, andere meelsoorten, of zelfs grind te verwerken om het brood zwaarder te maken. In het verleden had de overheid daarom de prijs en het gewicht van het brood in de zogenaamde ‘broodzetting’ vastgelegd.
Toen in Ede de keurmeester van het brood de laan was uitgestuurd, kwam in de gemeenteraad het probleem van de kwaliteitshandhaving aan de orde. Het werd aanleiding tot de volgende vraag van een bezorgd raadslid: ”Op hoedanige wijze verkrijgt men verbetering in de hoedanigheid van ’t roggebrood, vooral in ’t belang der arbeidende klasse?”. Een mooi geformuleerde vraag. Burgemeester Van Borssele, goed bekend met de werking van de vrije markt, antwoordde, dat volgens B&W de concurrentie het beste middel is voor een goede kwaliteit.
Laat de bakkers maar concurreren.
Hoewel er geen keurmester meer was, wilde de raad toch wel graag een voedzame en smakelijke boterham voor alle ingezetenen. Liefst zonder grind.
Dat was 1869. Een jaar later verscheen in het jaarverslag van de burgemeester de mededeling dat “de keuring van het brood niet is gebeurd bij gebrek aan geschikte keurmeesters”. Maar die geschikte keurmeesters komen alleen als er een salaris op hen ligt te wachten. En dat was het jaar daarvóór afgeschaft! Ook vele jaren daarna staat er in het jaarverslag: “Geen keuring van het brood”, of: “Geen levensmiddelenkeuring wegens gemis aan bekwame keurmeesters”.
Niet leuk voor de inwoners van Ede die liever geen zand in hun boterham ontdekten; zij waren er om het land te bewerken, niet om het op te eten.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten