27 Notarissen (12 maart 2022)

Elk dorp heeft zijn maatschappelijke en bestuurlijke elite. Ook Ede had zijn dorpsnotabelen: de burgemeester, de dominee, de dokter en de notaris. Dat waren de ‘heren van stand’ waarvoor men, wanneer zij passeerden, ‘halt en front’ maakte en eerbiedig de pet afnam. Die elite woonde vroeger niet in Oud-Zuid, maar in ‘herenhuizen’ in de ‘betere buurten’.

Ede heeft zijn “Fischerhuis”, waarvan de naam al doet vermoeden dat het bewoond is geweest door de familie Fischer. Liefst drie generaties notarissen Fischer hebben hier hun domicilie gehad. Het is een van de oudste gebouwen van Ede. Jean Charles Fischer vestigde zich hier in 1818 nadat zijn vader voor hem de woning had laten bouwen. Vader Fischer mocht daarna in een deel van het huis zijn intrek nemen. Jean Charles was al notaris in Lunteren toen hij in 1822 in Ede werd benoemd. Hiermee had de Fischerdynastie zich gevestigd om de eerste eeuw niet meer uit het Edese beeld te verdwijnen. Evenals de burgemeester, de dominee en de dokter, vervulden notarissen een voor de gemeenschap gewichtige rol. Zij stelden koopakten op, kenden alle ’ins’ en ‘outs’ van testamenten en vertelden trouwlustigen over de voor- en de nadelen van huwelijkse voorwaarden.

Maar Jean Charles had meer kwaliteiten. Hij was buurtschrijver, voorzitter van de kerkvoogdij van de Nederlands Hervormde Kerk en in 1842 werd hij voorzitter-secretaris van de ‘orgelcommissie’. In die hoedanigheid was hij drie jaar later betrokken bij het ‘orgeloproer’ in de Oude Kerk. De buurten Manen en Veldhuizen hadden veel geld verdiend met de verkoop van grond aan de spoorwegmaatschappij. Onder leiding van de notaris werd met een deel van de opbrengst een orgel aangeschaft. Dit bleek een onjuiste inschatting. Een deel van de kerkleden vond een orgel een werelds instrument en kwam bij de eerste orgeltonen luidruchtig in opstand. Er werd met stenen gegooid. Daar konden de ruiten van de Oude Kerk niet tegen. Wie in de kerk zat, vluchtte onder een hagelbui van stenen naar buiten.
Ede had zijn orgeloproer.

De familie Fischer is nauw betrokken geweest bij het brandwezen. Dat begon bij Jean Charles. In 1823 werd hij onder-brandmeester. Zijn ster als ‘brandblusser’ steeg snel, want al na drie jaar werd hij, geheel op basis van zijn capaciteiten, opperbrandmeester.

Om de organisatie van de brandweer in de regio Ede nog beter te stroomlijnen, werd in 1850 een coördinator gezocht. Voor iedere Edenaar was het duidelijk wie dat moest worden. Jean Charles Fischer werd gepromoveerd tot regionaal Opperbrandmeester Generaal voor de gezamenlijke kerkdorpen Ede, Lunteren, Otterlo, Bennekom en Gelders Veenendaal. Hij dankte zijn uitverkiezing aan een uitstekende c. v. In het verslag van de gemeenteraadsvergadering staat dat duidelijk aangegeven: “vanwege zijn bijzondere capaciteiten en buitengewone ijver wat het brandwezen betreft”. Zo iemand kon door de raad alleen maar met algemene stemmen worden benoemd. Hetwelk geschiedde.

Zes jaar later promoveerde hij opnieuw, nu tot directeur van het Brandwezen. Aan die voortdurende promoties kwam in 1874 een abrupt einde, toen hij overleed. Jean Charles is 46 jaar notaris geweest; ook zijn vrouw heeft zich niet onbetuigd gelaten: volgens de Kennisbank van de gemeente Ede baarde zij elf kinderen.

Jean Charles Fischer droeg het notariaat over aan zijn zoon Willem Frederik Jacob sr. Naast zijn notariële werkzaamheden, manifesteerde ook deze notabel zich als een maatschappelijk betrokken figuur. Verschillende jaren is hij bestuurslid geweest van de Vereniging voor 

Vreemdelingenverkeer.

Voorts heeft hij met enkele andere notabelen, waaronder de Nederlands Hervormde dominee Krayenbelt, in 1872 de Spaar- en Hulpbank voor Ede opgericht, de latere SNS-bank.
Aanvankelijk was dit vooral een sociaal project, bedoeld voor “de kleine luyden, de boeren en de dienstmaagden”. Die konden daar hun spaargeld beleggen, dat vervolgens door de bank werd uitgeleend als voorschot aan kleine ondernemers, de zogenoemde “neringdoenden en ambachtslieden”.

Gelukkig voor de bank gingen de meeste “kleine luyden, boeren en dienstmaagden” ’s zondags naar de Nederlands Hervormde kerk. Daar wekte ds. Krayenbelt hen vanaf de kansel op om toch vooral heel zuinig te leven en hun aldus bijeengeschraapte centjes bij de Spaar- en Hulpbank in te leveren. In 1900 waren er 1100 spaarders met een gezamenlijk spaartegoed van f.160.000.- Pas veel later konden ook agrariërs hier terecht. Vandaar dat de Spaarbank pas in de twintigste eeuw grote betekenis kreeg voor de economische ontwikkeling van Ede.

En natuurlijk had ook deze notaris Fischer een zwak voor de brandbestrijding. 23 jaar lang is hij brandmeester geweest.
Van de notaris was bekend dat hij altijd een zwart kalotje droeg en van zijn vrouw dat zij negen kinderen op de wereld zette.

Ook W.F.J. Fischer sr. maakte zijn zoon WFJ jr. notaris. Die zou dat blijven van 1911 tot 1946. Ook jr. zag het maatschappelijk nut van het blussen van brandjes in, want 18 jaar lang was hij chef brandpiket.
Zijn historische belangstelling bracht hem ertoe in 1924 de Vereniging Oud Ede op te richten.
Hij werd meteen voorzitter voor het leven want bij zijn overlijden in 1946 bleek dat hij nog steeds de leiding had. Volgens de Kennisbank van de gemeente Ede, kreeg zijn vrouw slechts vier kinderen.

En dan is er nog de Notaris Fischerstraat. Alleen een handvol ingewijden weet wie van de drie notarissen Fischer hier is vernoemd. Waarschijnlijk alle drie. Notaris Fischer is meer dan een persoon, in Ede is het een begrip, een ‘soortnaam’ voor zeer bekwame en achtenswaardige`notarissen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten