Naast de veldwachter als gewapende ordehandhaver, kende men ook het instituut van de ongewapende ‘nachtwacht’. In Ede werd al in 1690 een nachtwacht benoemd. Deze was tevens dorpsomroeper en klepperman, ook wel klapperman of klapwaker genoemd. Hij liep door het dorp met een klep; dat was een houten plank met een soort houten hamer in het midden, die zodanig op de plank was gemonteerd dat bij een beweging de hamer op de plank viel en een klepperend geluid maakte.
Zulke zaken pakt men in Ede graag zeer degelijk aan en dus werden er op den duur zelfs twee nachtwachten in dienst genomen. Zij vormden een soort hulppolitie. Overdag gingen zij met hun houten klep door het dorp om op de hoek van een straat het laatste nieuws te vertellen. Om elf uur ’s avonds kwamen beide kleppermannen bij elkaar onder de lantaarn bij de Ambtspomp aan de Bergstraat tegenover de woning van de dokter. Vandaar liepen zij om beurten door het linker en rechter deel van het dorp. Ondertussen gaven zij hun ogen en neus goed de kost om te ontdekken of er ergens een inbraak of een brandje was.
Dit laatste was het belangrijkste deel van hun taak. Vrijwel alle daken waren met stro of riet afgedekt en uiterst brandbaar. Vóór men naar bed ging, strooide men vaak de as uit de oven of uit het fornuis op de mestvaalt naast de boerderij. Soms was die as nog niet helemaal uitgedoofd. Daarmee kon men een brand veroorzaken. Een smeulende mestvaalt leverde een boete van f. 3.- op. Wanneer het geheel al vlam had gevat, dan moest men f.6.- betalen. En hopen dat het vuur snel gedoofd kon worden vóór het halve dorp in de fik zou gaan. En dat laatste is enkele malen gebeurd.
Gedurende de nacht moesten de kleppermannen bovendien de hele uren omroepen: “De klok heit twee; twee uur heit de klok”, wat erg plezierig was, omdat vrijwel niemand een klok bezat en men ook ’s nachts graag wilde weten hoe laat het was.
Ede kende zowel een vaste nachtwacht, als de mogelijkheid om tijdelijke nachtwachten aan te stellen. Afhankelijk van de veiligheidssituatie in de gemeente, kon de gemeenteraad incidenteel hiertoe overgaan. Zoals in 1851 toen in de buurschappen regelmatig werd geklaagd over inbraken. De raad besloot toen om “voor deze en de volgende maand” f.1,50 per week uit te trekken voor twee nachtwachten om in de buurschappen de veelvuldige diefstallen van aardappelen tegen te gaan. Het kostte de raad f.12.- (8 weken x f.1,50) . Waarschijnlijk zijn er geen aardappelen meer gestolen, want dit onderwerp komt in de raadsverslagen niet meer terug.
Toch viel het met de veiligheidshandhaving wat tegen. Het geklepper van de nachtwacht gaf de inbrekers perfect aan waar de klepperman zich bevond. Desalniettemin duurde het tot omstreeks 1900 voordat de klep werd afgeschaft. Met het verbluffende resultaat dat nadien de nachtwaker kans zag menig inbreker op heterdaad te betrappen.
Voor de burgers betekende de surveillancedienst van de nachtwacht een zekere mate van veiligheid. Tenminste als hij meer plichtsbesef had dan enkele collega’s in Amsterdam. Ooit werd daar op het Leidseplein een nachtwacht stomdronken uit een kelder gehaald. Een ander lag in bed in plaats van zijn nachtelijke ronde te doen en een derde maakte zich schuldig aan diefstal van hout. Zulke misstanden zijn in de Edese gemeenteraadsverslagen niet te vinden.
Aangezien alleen de zon voor niets opgaat, moest de burgerij de kosten van de klepperman dragen. Elke maand gingen de nachtwachten langs de huizen om de bijdrage van de burgers, het ‘kleppergeld’, op te halen. Dat varieerde naar rato van de huurwaarde van de woning, van vijf cent tot een gulden. De armen waren hiervan vrijgesteld. Naast dit ‘riante’ inkomen kregen de nachtwakers elke drie jaar een jas, een broek en een paar laarzen en ’s winters turf van de buurt.
In 1877 stelde de buurt Ede-Veldhuizen voor de klepperman een jaarsalaris van f. 50.- toe te kennen, mits de gemeente Ede hetzelfde bedrag er aan toe zou voegen. Zoals te verwachten was, weigerde de gemeente en dus moesten de inwoners hun eigen nachtwacht voorlopig volledig blijven betalen.
De laatste klepperman, Gerrit (of Gaart) van der Meijden, werd in 1887 tegen een salaris van f.5.- per week aangesteld. En dat gedurende 52 weken per jaar; geen vakanties en geen vrije zaterdag. Tot 1900 bleef hij als klepperman in functie. Daarnaast was hij ook nog dorpsomroeper tot 1926. Nadat in Ede in 1904 de straatlantaarns waren overgegaan op gas, werd Gaart benoemd tot lantaarnopsteker. Dat zou hij tot 1934 blijven.
Toen het politiecorps enkele jaren na de eerste wereldoorlog werd uitgebreid, was de steun van nachtwakers niet langer nodig en in ons land verdween het beroep in de jaren twintig van de vorige eeuw.
In ieder geval hadden de kinderen, althans volgens de dichter Hieronymus van Alphen (1746-1803), een groot vertrouwen in de klepperman. Hij schreef een kindergedicht over de nachtwacht, waarin hij beschrijft hoe een kind rustig gaat slapen, terwijl de klepperman de wacht houdt:
Zou ik voor den klepper vreezen,
of die lieve brave man
maakt, dat ik gerust kan wezen,
en ook veilig slapen kan.
Moeder lief ‘k geloof het vast
dat hij op de dieven past.
Schoon hij loopt door wind en regen,
’t zingen wordt hij nimmer moe.
Goede God geef hem Uw zegen,
maar mijn oogjes vallen toe.
Lieve klepper! Hou de wagt!
Ik ga slapen, goede nagt!
Geen opmerkingen:
Een reactie posten