Tussen 1850 en 1900 steeg het aantal inwoners in de gemeente Ede van 8.967 naar 15.195.
Men woonde op de ontgonnen gronden, omringd door heide, zandverstuivingen en bossen. In dit rustieke Veluwse dorp kabbelde het leven rustig voort. De tijd van burgemeester Van Borssele, 1860-1896, wordt in de Geschiedenis van Ede herinnerd als “die goede oude tijd”. De auteur geeft een bijna lyrische beschrijving: “Hoe kalm de rust, hoe talrijk de kudden schapen op de heide, hoe vreedzaam de bevolking, hoe genoeglijk de gemoedelijke omgang der dorps- of buurtgenoten. Hulpvaardig stond men voor elkander klaar”. Men droeg als laatste burenplicht gezamenlijk een overleden buur naar de begraafplaats.
Die 'goede, oude tijd' in dit ongerepte boerendorp had ook een schaduwzijde van keihard werken op het land voor 75 à 80 cent per dag en van zware lichamelijke arbeid als ambachtsman tegen een loon van 10 à 12 cent per uur. Vrouwen en kinderen verdienden nog (veel) minder.
Er werd lang en hard gewerkt. “De haan was de wekker van het boerengezin.”(1) Dat betekende dat in de zomer de werkdag om vier uur begon en eindigde bij zonsondergang. De kinderarbeid verdween hier pas met de invoering van de leerplicht in 1901.
De opbrengsten waren allereerst voor eigen levensonderhoud en voor de belastingen. Bleef er nog iets over, dan was dat voor zeep, azijn, zout, tabak, werktuigen en voor het vee.(2)
Sociale voorzieningen voor wie werkloos was, of niet meer kon werken, bestonden nog niet. Voor het overgrote deel van de Edese bevolking was elk jaar het ‘leven’ meer een kwestie van ‘overleven’.
Tussen hen en de kleine, rijke bovenlaag bestond een grote kloof. Treffend ‘geïllustreerd’ door de kunstschilder Willem Witsen. Tegen het eind van de negentiende eeuw schreef hij aan de componist Alphons Diepenbrock en diens vrouw: “’t Duurt niet lang meer dan bloeien de bloemen, dan moet je samen eens komen, je kunt hier heerlijk wandelen”. Vanuit zijn riante villa Zonneberg schreef hij aan zijn vriend Jean Toorop: “Wij wonen hier heerlijk. ’t Is hier een mooi land, vooral in de winter”. Zeer velen in Ede hadden de grootst mogelijke moeite om juist dat jaargetijde door te komen.
In 1872 vroeg veldwachter Engelsman aan B&W hem eervol ontslag en pensioen te willen verlenen. In de gemeenteraadsvergadering deelde burgemeester Van Borssele de raadsleden mee: “dat ontslagene zich voortdurend aan dronkenschap schuldig maakte en aan hem als hoofd der politie veel last veroorzaakte, waarom B&W hebben gemeend dat de ontslagene niet voor een pensioen in aanmerking kan komen”. Het voorstel werd met algemene stemmen aangenomen. De heer Engelsman werd uitgeleverd aan de particuliere en kerkelijke liefdadigheid.
In die 'goede, oude tijd', 1899, vroeg een raadslid om een pensioen voor B. van de Kaa te Lunteren, die vanaf 1862 onbezoldigd gemeenteveldwachter was geweest. Het verzoek werd afgewezen. De raad had geen boodschap aan zevenendertig jaar onbetaald in naam van de gemeentelijke overheid orde en gezag handhaven; diezelfde overheid voelde geen morele plicht en schoof met groot gemak ook de heer Van de Kaa door naar de particuliere en kerkelijke liefdadigheid.
Het was de tijd dat de ‘bedeelden’ tijdens de kerkdienst op de harde houten banken zonder leuningen zaten en de notabelen een familiebank hadden met een hemeltje erboven. Toen alleen gegoede boeren en burgers tot de kerkenraad werden toegelaten.
Halverwege de negentiende eeuw was Ede een agrarische dorpsgemeenschap, waar de overgrote meerderheid van de autochtone bevolking conservatief en orthodox hervormd was. Een geringe minderheid was liberaal en gematigd hervormd en behoorde overwegend tot de nieuwe inwoners. Beide groeperingen respecteerden de opvattingen van de ander door zich inzake het gemeentelijke beleid, zuiver pragmatisch op te stellen. Het was een kwestie van ‘polderen’. Het leidde tot in lengte van jaren tot uitsluitend op compromissen gerichte kortetermijnoplossingen. Voor ingrijpende vernieuwingen stond het gemeentebestuur niet open. De raadsleden stonden bekend als ”mannen van erkende grote zuinigheid”. Het gemeentelijke beleid kan omschreven worden als ‘voorzichtig passen op de winkel’.
In het jaarverslag over 1851 werd opgemerkt dat de wolkammers in Gelders Veenendaal met toenemende armoede te kampen hadden als gevolg van de opkomst van “wolfabrieken waar stoomwerktuigen gebezigd worden”, onder andere in Stichts Veenendaal. Ontslagen en bedrijfssluitingen in Gelders Veenendaal waren het gevolg. In 1864 waren er in Gelders Veenendaal 43 wolkammerijen, in 1886 nog 15. Aan het eind van de eeuw waren alle wolkammerijen verdwenen. Noch B&W, noch de gemeenteraad kwamen met initiatieven om de wolkammers te helpen.
Als de gemeente niet zelf wilde investeren, dan had men van elders kapitaal kunnen aantrekken. De centrale ligging van Ede en de verbeterde infrastructuur waren pluspunten waar investeerders gebruik van hadden kunnen maken.
Dergelijke initiatieven kwamen ook niet van de burgemeester die in die periode gedurende zesendertig jaar, van 1860-1896, aan de Edese gemeenteraad leiding heeft gegeven. Jonkheer Van Borssele was behalve burgemeester, gedurende dertig jaar lid van de Provinciale Staten van Gelderland, benevens lid van de Tweede Kamer van 1893 tot 1897 en jarenlang Kamerheer in buitengewone dienst van Z.M. de Koning. Hij moet geweten hebben van de mogelijkheden die elders werden benut om de economie van een regio te stimuleren. Uit de stukken blijkt niet dat hij in Ede een poging daartoe heeft ondernomen.
Tussen 1850 en 1900 zijn er noch door B&W, noch door de gemeenteraad aansprekende initiatieven genomen om Ede ‘op te stuwen in de vaart der volken’.
In die halve eeuw kwam men niet verder dan een nieuw gemeentehuis, enkele schoolgebouwen en onderwijzerswoningen, een paar sintel- en grindwegen en het herstel van enkele kerktorens, “zelfs één die jaren scheef stond, werd weer in ’t lood gezet”.
(1) H. Lintsen, F. Veraart, J.P. Smits, J. Grin, De kwetsbare welvaart van Nederland, 1850-2050. Naar een circulaire economie, Amsterdam, 2018, 67.
(2) Idem, 70.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten