Schoolmeester zijn was een fulltime job. Al in 1655 was in een Schoolreglement vastgelegd dat de schooltijden waren van 8 tot 11 en van 1 tot 4 uur. De woensdag- en zaterdagmiddag waren vrij, plus twee weken vakantie per jaar. Bovendien moest meester tijdens zijn vrije middagen zijn leerlingen in de gaten houden: dat zij geen geld verkwistten, niet op gevaarlijke plaatsen gingen zwemmen of ergens kattenkwaad zouden uithalen. In sommige boeken wordt het voorgesteld alsof het kosterschap de hoofdbetrekking was en de functie van schoolmeester een soort bijbaantje. Vergeet het maar: meester had een volledige dagtaak.
Ondanks deze volle baan was de salariëring uiterst pover. Omstreeks 1860 verdiende de gemeentesecretaris f. 600.- per jaar tegenover een onderwijzer f. 250,-
Van het salaris ging nog het nodige af. Bovenmeester Neelmeijer betaalde het salaris van de ondermeester, f.100.- per jaar, uit eigen zak. Bovendien moest hij de ondermeester gratis kost en inwoning geven plus een klein bedrag in contanten bij wijze van zakgeld. Toen meester Neelmeijer aan de gemeenteraad om f.100.- vroeg om de ondermeester te betalen, heeft de raad het verzoek gehalveerd: meester kreeg f.50.- en moest de rest dus zelf bijpassen.
Pas in 1860 kregen de hulponderwijzers hun salaris van de gemeente; in 1867 verdienden zij per jaar f.300.-
Vrijwel alle schoolmeesters hadden een of meerdere bijbaantjes om zichzelf en hun gezin in leven te houden. Naast koster van de kerk, hadden sommigen een winkeltje of een herberg, anderen waren rentmeester of gemeentesecretaris. Sommige bijbaantjes leverden echter geen enkele beloning op. Voorlezer en voorzanger tijdens de kerkdiensten, hoorden bij de functie van koster, zo meende men.
Bij zulke jaarsalarissen is het niet verwonderlijk dat het animo om voor onderwijzer te gaan studeren, niet groot was. Het gevolg was dat er een bijna continue tekort aan onderwijzend personeel was. Geen geld, geen Zwitsers, maar ook geen onderwijzers. Bovendien gingen steeds meer kinderen naar school, waardoor de klassen overvol raakten en er, behalve een tekort aan onderwijzers, ook een gebrek aan lokalen ontstond. Verschillende verzoeken om de salarissen te verhogen, werden door de gemeenteraad categorisch afgewezen. Bij vacatures kwamen vrijwel geen sollicitanten opdagen. Dat betekende dat klassen werden samengevoegd. Het schoolhoofd was dan de dupe. Hij stond er alleen voor. Een enkele maal kreeg hij een gratificatie van een paar tientjes wanneer hij een half jaar of langer had les gegeven met een of zelfs twee onderwijzers te weinig aan zijn school.
Op den duur moest de gemeenteraad wel overstag. In 1860 werd het salaris van f.250.- naar f.300.- opgetrokken. Dertien jaar later ontving een schoolmeester f.450.- per jaar. Pas in 1882 kon bij de onderwijsgevenden echt de vlag uit: hun traktement bereikte het recordbedrag van f.600.- per jaar.
Maar de leerkrachten hadden te vroeg gejuicht. De gemeente had tot deze verhoging besloten om het tekort aan onderwijzers terug te dringen en niet omdat men meende dat deze beloning paste bij het belang en de verantwoordelijkheid van het beroep van onderwijzer, maar zoals het zo mooi in het raadsverslag omschreven staat: “door de noodzakelijkheid gedrongen”. Bestaat die noodzakelijkheid niet meer, ja, wat dan? Dat bleek al drie jaar later.
Bij enkele vacatures hadden zich meerdere sollicitanten aangemeld en prompt werden door de gemeenteraad de salarissen verlaagd naar f.500.-. Om twee jaar daarna, in 1887, nogmaals teruggebracht te worden, nu naar f.450.- per jaar. Waarmee men terug was op het niveau van 1873, dat wil zeggen van veertien jaar daarvóór. De raad verklaarde “dat de jaarwedden der onderwijzers tot een abnormaal cijfer waren opgevoerd”.
Een van de raadsleden zocht naar een tussenoplossing: hij stelde voor om een premiestelsel in te voeren, waarbij een onderwijzer na één jaar er f. 25.- bij zou krijgen en na twee jaar f. 50.- tot een eindsalaris van f. 500.-, per jaar. Het plan werd weggehoond met 12 tegen drie stemmen.
In 1891 dacht de raad er nog net zo over. Het voorstel om het salaris van schoolhoofden met f.100.- op te krikken, werd met acht tegen vier stemmen van tafel geveegd. “Wegens de ongunstige toestand van de landbouw”, zo luidde het argument. De uitgaven voor het onderwijs zouden teveel op de begroting drukken.
De onderwijzers moesten tot 1893 wachten aleer zij er f.50.- per jaar bij zouden krijgen.
De gemeenteraad gaf blijk de uitgaven voor het onderwijs als volkomen onproductief te beschouwen. “Dat strekt hem niet tot eer”, zo lezen wij in de Geschiedenis van Ede.
De wet van vraag en aanbod had echter feilloos gewerkt.
Anno 2019 kent Nederland een groot tekort aan leerkrachten, onder andere omdat de salarissen in vergelijking met andere beroepsgroepen, te laag zijn. Andere tijden, hetzelfde probleem.
Carel Verhoef, 19 oktober 2019
Het boek 'Ede 1850-1900. Een Veluws dorp op de drempel van de moderne tijd' is hier te bestellen.
Wekelijks radioprogramma bij EDE FM over kunst en cultuur in de regio. Dit is heel divers: we praten met artiesten over hun theater- en muziekvoorstellingen, met beeldend kunstenaars, met dichters, koorleden, muzikanten... Er is live muziek en er zijn vaste columnisten als Gertom de Beer (over boeken) en schrijver George Knottnerus. Kortom: cultuur in de breedste zin van het woord. Dit maakt Studio C afwisselend en elke week anders. Tussen de gesprekken door is er muziek.
Abonneren op:
Reacties (Atom)
-
Presentatie René Hazeleger 1 Harmannus Harkema over het optreden van Billy and Bloomfish op donderdag 12 december bij Live Stage Ma...
-
Presentatie René Hazeleger 1 George Knottnerus met zijn maandelijkse column. Over zijn ervaringen als postbezorger op Oudejaarsdag. B...
-
Presentatie Henk Gieling 1 Geen Broere , Buurtrichter van de Buurt Ede en Veldhuizen , het oudste bestuursorgaan van Ede dat nog actief is. ...

Geen opmerkingen:
Een reactie posten