Zelfs in een Veluws dorp als Ede gaat men met de tijd mee. In 2012 besloot de gemeenteraad tot het plaatsen van een aantal buigbare lantaarnpalen. Om de klap bij een aanrijding te verminderen. Zo ver dacht men midden negentiende eeuw nog niet om de eenvoudige reden dat er toen nog geen auto’s waren. Straatlantaarns waren er al wel, zij het uiterst beperkt in aantal. Bovendien waren zij “verre van schitterend. In de meeste dorpen waren slechts enkele oliepitjes”. Op de begroting van 1850 had de gemeenteraad een bedrag van f.300.- uitgetrokken voor het onderhoud van de olielantaarns.
De olielantaarn bestond toen al bijna twee eeuwen. Hij is in 1663 ontworpen door de beroemde Nederlandse uitvinder, kunstenaar en koopman Jan van der Heyden. Hij was ook de uitvinder van de brandspuit en de ontwerper van de lantaarnpaal. Voor zijn lantaarns gebruikte hij raapolie uit koolzaad.
In Ede maakte men tot 1863 gebruik van olielantaarns. In dat jaar werd de olieverlichting door petroleum vervangen. Dat klinkt erg eenvoudig: olie vervangen door petroleum, maar het hield wel in dat ook de lantaarns vervangen moesten worden. Tevens werden er enkele extra lantaarns geplaatst, onder andere in Otterlo. Met alle bijkomende kosten was het een stevige kostenpost op de gemeentelijke begroting. Gelukkig konden B&W Gedeputeerde Staten van Gelderland het volgende jaar melden dat in alle dorpen de nieuwe straatverlichting was ingevoerd en zeer goed voldeed. Waarschijnlijk kwamen B&W ’s avonds nooit op straat, want de petroleumlantaarns gaven maar een zwak licht en een beetje windvlaag was in staat de vlam te doven. Toch kregen GS de positieve mededeling van B&W: “Wij meenen ze als eene goede, minkostbare straatverlichting te mogen aanbevelen”. Met de nadruk op “minkostbaar” d.w.z.: goedkoop.
Erg uitgebreid was het verlichtingsnet niet en veel werd er ook niet bijgeplaatst. In 1871stond in het centrum van het dorp Ede, het Boschpoortgebied, zegge en schrijve één lantaarn. Dat was al heel wat, vergeleken met enkele buitendorpen waar nog minder dan één stond. In 1871 vond een ‘substantiële’ uitbreiding plaats: in Ede, Bennekom en Lunteren kwam er één lantaarn bij en in Gelders Veenendaal, toen nog deel van de gemeente Ede, zelfs twee.
Twee jaar later verzocht de heer E.C. Ruttenbeek te Harskamp de gemeenteraad om in de buurtschap Harskamp drie straatlantaarns te plaatsen. De raad wees het verzoek af, omdat, zo schreef de gemeentesecretaris: “eene uitbreiding van de verlichting van straten en wegen tot de onderscheidene verspreide buurtschappen in deze gemeente te kostbaar is om daartoe te mogen besluiten”. In Harskamp zou het nog heel lang donker blijven.
De heer Boeken te Bennekom ving eveneens bot. Hij wilde een lantaarn op de grindweg voor zijn woning, maar hij vergat de postzegel op zijn brief. Door de raad werd, zo staat in het raadsverslag, zijn “adres als ongezegeld terzijde gelegd”. Soms moet je als raad streng zijn.
Dat ervoeren de heren A. Ruitenberg en G.J.C. Cavaljé ook. Ruitenberg en andere bewoners van de Bunschoterweg wensten een uitbreiding van de verlichting met één lantaarn en Cavaljé wilde een exemplaar aan de Achterdorpschenweg bij zijn nog te bouwen huis. Zij hadden hun aanvragen wel ‘gezegeld’, maar desondanks werden hun verzoeken “vooralsnog afgewezen”. Zoals gebruikelijk betekende “vooralsnog” in de ambtelijke formulering ook toen al: ‘definitief’.
Alleen de aanvraag van J.P.D. van Veen en andere ingezetenen tot plaatsing van een extra lantaarn aan de Stationsweg werd ingewilligd.
Aangezien de lantaarns niet vanzelf gingen branden, had de gemeente vanaf 1887 een lantaarnopsteker in dienst. In het Boschpoortgebied zorgde Gaart van der Meijden elke avond als nachtwacht, klepperman en lantaarnopsteker dat het althans op enkele plekjes in het dorpscentrum niet al te donker werd. Hij begon zijn ronde bij de woning van dokter Weijer aan de Bergstraat nr.1. Om elf uur moesten ook de minder brave Edenaren naar bed en kwam Gaart overal de lichten doven, behalve bij het huis van de dokter.
Gaart hield zich stipt aan elf uur. Zou hij de lichten eerder doven, dan riskeerde hij een fikse boete.
De belangrijkste verandering kwam enkele jaren na de eeuwwisseling. In 1904 werd in Ede een gasfabriek gebouwd. Het daaropvolgende jaar werden de petroleumlantaarns door gaslantaarns vervangen. Dat was bijna een eeuw na Londen. In 1812 was dit de eerste stad met gaslicht. Amsterdam zou in 1847 volgen. Gas zou de eerste brandstof worden die via een pijpleiding verspreid kon worden en waardoor serieverlichting mogelijk werd.
Bovendien waren gaslantaarns veel goedkoper dan olielantaarns en veel makkelijker aan te steken. Olie- en petroleumlampen moesten door de lantaarnopsteker worden bijgevuld. Dat hoefde bij gaslampen niet. Ook had de lantaarnopsteker geen ladder meer nodig, want de gaslantaarn werd met behulp van een lange stok met aan het uiteinde een vlammetje aangestoken.
In de raadsvergadering van 26 mei 1900 werd voor het eerst een voorstel ingediend om tot het aanleggen van elektrische straatverlichting over te gaan. Puur uit kostenoverwegingen stemde de meerderheid van de raad tegen. Ook latere aanvragen werden niet gehonoreerd. De raad was bang voor hoge financiële lasten: èn gas èn elektriciteit in één dorp, dat was te duur! Het zou nog tot 1946 duren aleer Ede overging op elektriciteit.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten