11. Schoolstrijd in Ede (23 november 2019)

De Edese “School onder de toren” was een openbare school voor alle gezindten. Voor de ouders in het voor 98% orthodox-protestantse Ede was dat geen enkel bezwaar. De school was openbaar, maar de schoolmeesters hadden een sterke band met de kerk. Tot 1868 waren zij tevens koster. In de kerkdiensten waren zij voorlezer en voorzanger en wanneer ouders hun kind wilden laten dopen, dan moesten zij hun kind bij de meester aangeven. Tegen betaling van f.0,10 schreef de meester hun kind in het doopregister van de kerk. Bovendien begon en eindigde elke schooldag met gebed, er werden psalmversjes geleerd en de meesters vertelden uit de Bijbel. Met zulke meesters was de openbare school voor vrijwel alle ouders acceptabel. Vandaar dat de eerste poging tot oprichting van een ‘gereformeerde’ school mislukte. Er waren gewoon geen belangstellende ouders.

Dat veranderde toen de gereformeerden in 1886 uit de Nederlands Hervormde kerk traden en een specifiek orthodox-protestantse school wensten. Toen ontkwam ook Ede niet aan de zogenaamde ‘schoolstrijd’.

In Ede had een groep orthodox-protestanten onder leiding van de heer Cavaljé zich in 1887 van de hervormde kerk afgescheiden. Zij meenden dat zij hun doopbelofte niet zouden nakomen, wanneer zij hun kinderen naar de openbare school zouden sturen. De doopbelofte hield in, dat zij hun kinderen in de gereformeerde leer zouden opvoeden. Dat kon, zo meenden zij, alleen in een school waar het hele onderwijs werd getoetst aan het Woord van God en was doortrokken van de Geest van Christus. In 1888 richtten zij de “Vereniging tot Stichting en Instandhouding van Scholen met den Bijbel te Ede” op met als grondslag de Heilige Schrift zoals die wordt uitgelegd door de kerken van de reformatie en omschreven in de Drie Formulieren van Enigheid.

Twee jaar na de oprichting van de Vereniging werd met financiële steun van onder andere de heer Cavaljé aan de Telefoonweg de eerste School met den Bijbel gesticht. De heer Cavaljé had in zijn gloriedagen in de Amsterdamse Kalverstraat chique dameshoeden voor f.60.- à f.70.- per stuk verkocht en was na zijn pensionering met zijn kapitaal naar Ede verhuisd. Hij schonk de grond, het schoolgebouw en de woning voor de onderwijzer. De bouw kostte f.9.656.- In deze genereuze daad zag de eveneens naar Ede  gemigreerde Zaandamse houtfabrikant Tulp, zelfs een goddelijk ingrijpen: “Is het geen wonder”, zo schreef hij, “dat de Heere God het hart van een met aardse goederen gezegende inwoner zo bewerkte dat hij geheel vrijwillig een deel van zijn vermogen den Heere ten offer bracht en de stichting van een flink schoolgebouw en onderwijzerswoning” mogelijk maakte?

Aan zijn schenking had Cavaljé een heel bijzondere voorwaarde verbonden. Hij bepaalde dat de vergaderingen van het schoolbestuur in de onderwijzerswoning moesten plaatsvinden in de kamer met schoorsteenmantel en opbergkast voor archiefstukken en met in de gang een toilet speciaal voor het schoolbestuur. Geen wonder dat de school bij de opening op 6 januari 1890 de naam Cavaljé-school kreeg.
Schoolgebouw en onderwijzerswoning werden door Cavaljé aan de gereformeerde kerk aangeboden. Van die kerk ging de school uit. Samenwerking met niet-gereformeerden werd door Cavaljé niet gewenst.
Er bestond dus een sterke band tussen de school en de gereformeerde kerk. De kerkenraad werd belast met de geestelijke leiding, benoemde zowel het schoolbestuur als het onderwijzend personeel en hield toezicht op de leermiddelen. Van alle boeken moest eerst een exemplaar door de kerkenraad worden gekeurd.
Deze overheersende positie van de kerkenraad moest wel tot spanningen leiden. De kerkenraad wilde onder andere dat alle onderwijsgevenden lid moesten zijn van de gereformeerde kerk. Voor het schoolbestuur en het hoofd der school hoefde dat niet, mits de sollicitant maar de gereformeerde belijdenisgeschriften kon onderschrijven. Dat kan dus ook een orthodox lid van de hervormde kerk zijn. Er ontstond in de kerkenraad wrevel over het optreden van het schoolbestuur en van de bovenmeester. Er waren kerkenraadsleden die spraken over “de verwoesting van onze school” en van “grote opspraak in en buiten de (kerkelijke) gemeente”. Op den duur moest de kerkenraad in deze kwestie bakzeil halen.

Met de oprichting van de Cavaljé-school begon ook in Ede de ‘schoolstrijd’. Niet door iedereen in Ede werd de nieuwe school enthousiast ontvangen. Er wordt verteld dat tegenstanders hun hoofd afwendden wanneer zij de school passeerden. Scheld- en vechtpartijen tussen leerlingen van de openbare en de Cavaljé-school waren aan de orde van de dag. De pesterijen brachten de heer Cavaljé er  toe de gemeenteraad schriftelijk te verzoeken gepaste maatregelen te nemen en bevelen uit te vaardigen om herhaling te voorkomen.

De oprichting van de Cavaljé-school zorgde er voor dat in Ede de eenheid op onderwijsgebied definitief verloren is gegaan.

Dank zij de vrijheid van onderwijs, in 1848 neergelegd in artikel 23 van de grondwet, heeft nog altijd, elke godsdienstig/levensbeschouwelijke groepering het grondwettelijke recht een school op te richten. Het negentiende eeuwse ideaal van de ‘gemengde school voor alle gezindten’ werd hiermee overboord gezet en de opsplitsing van onze scholen langs religieuze scheidingslijnen was een feit.
Daardoor is in onze huidige, totaal versnipperde samenleving een onderwijsbestel ontstaan dat net zo versnipperd is, terwijl juist de school de enige plaats is waar wij alle kinderen kunnen samenbrengen, waar zij leren om te gaan met kinderen met een andere godsdienstige, levensbeschouwelijke, culturele, etnische en sociaaleconomische achtergrond en waar hen kennis wordt bijgebracht van de waarden en normen van onze westerse beschaving en van de grondslagen van onze parlementaire, democratische rechtsstaat.

Carel Verhoef, 23 november 2019



Het boek 'Ede 1850-1900. Een Veluws dorp op de drempel van de moderne tijd' is hier te bestellen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten