Eeuwenlang is het water de grote vijand van ons land geweest. Eeuwenlang hebben de steden en dorpen langs onze grote rivieren tegen dat water gevochten.
Zo was het en zo is het nog altijd.
Er werden dijken, hoge kademuren en andere kunstwerken aangebracht. In de rivierdistricten waren alle mannelijke ingezetenen tussen 18 en 60 jaar verplicht tot dijkwacht en het maken van noodkeringen. Wagens met mest en vlechtwerken van takken werden overal gereed gehouden, evenals houwelen, hamers, kribpalen, balken, planken, lantaarns, dijkboren (om gaten in een dijk te maken) en lange dennenstammen voor steigerpalen.
Met zulke voorzorgsmaatregelen kan er niets fout gaan, dacht men. Toen werd het maart 1855. Toen “was de vijand op verscheidene plaatsen veel te sterk”.
De winter van 1854-1855 was buitengewoon streng met enorm veel sneeuw in de bergen en decimeters dik ijs op de rivieren. Het smeltwater zorgde wekenlang voor extreem hoge waterstanden en kruiend ijs. Het vaste ijs bereikte een dikte van 45 cm. Er was zelfs sprake van ‘zwaar ijs’: “platen van twee tot drie meter dik”. Toeschouwers in Westervoort zagen ijsschotsen de Rijn afzakken “die bijkans een hectare groot waren”. De rivierdijken werden door dat ijs zwaar aangetast. Hier en daar kwam het kruiende ijs over de dijk. Bij Doorwerth, Heteren en veel andere plaatsen langs Rijn, Maas en IJssel ontstonden hoge ijsmassa’s. Veel dijken waren hier niet tegen bestand. Het leidde tot een overstroming die grote delen van de IJssellanden, Neder-Betuwe, Tielerwaard, Land van Maas en Waal en de Gelderse Vallei onder water zette.
“Het was”, zo lezen wij in het jaarverslag van de burgemeester over 1855, “in den namiddag van 5 maart dat het schrikwekkende berigt ontvangen werdt: de Grebbedijk is doorgebroken”..
De kerkklokken werden geluid om de bewoners te waarschuwen. Er voltrok zich een ware ramp.
Door de breuk van de Grebbedijk bij Gelders Veenendaal werd een gebied van de Grebbeberg tot De Klomp, Ederveen, Lunteren, Renswoude, Scherpenzeel, Woudenberg, Leusden en Amersfoort overstroomd. Het water was nu waar het in geen 144 jaar was geweest. Er vielen slachtoffers en honderden mensen moesten huis en haard verlaten. Een deel van hen werd in Barneveld, Bennekom en Ede ondergebracht onder andere in de school “Onder de Toren”, in een schuur en bij particulieren.
Een gedeelte van de Rhijnspoorweg werd weggespoeld en de funderingen van de spoorbrug bij De Klomp werden ondermijnd. De roggeoogst was vrijwel geheel verloren, evenals grote hoeveelheden meststoffen en aardappelen.
Ook voor de dieren was het een ramp. Een grote menigte hazen en patrijzen verdronk.
De Edese burgemeester Th. Prins had de leiding van de reddingsoperatie. Hij deed wat burgemeesters in dergelijke situaties plegen te doen: hij formeerde enkele commissies die voor een effectieve hulpverlening moesten zorgen. De vluchtelingen kregen een ontbijt van roggebrood met koffie en ’s avonds hetzelfde. De middagmaaltijd werd in Ede door particulieren gekookt. Dit middageten bestond afwisselend uit erwtensoep met aardappelen en spek, gepelde gerst, wortelen en zuurkool. In de hele streek werden geld, kleding en voedsel ingezameld.
De gevolgen van het natuurgeweld kwamen hard aan. Gelukkig was daar Koning Willem III. Tweemaal bezocht hij het rampgebied. Het raadsverslag van 13 maart 1855 vermeldt dat “deze gemeente de eer te beurt is gevallen door Z.M. onzen geëerbiedigden Koning bezocht te worden om de ramp die ons getroffen heeft in oogenschouw te nemen en de ongelukkigen op te beuren”. Vanuit De Klomp maakte de vorst per roeiboot een tocht naar Veenendaal. Hij was zeer tevreden over de genomen maatregelen. Enige tijd later toonde hij zijn waardering door de burgemeester en veldwachter A. Veenendaal van Gelders Veenendaal met een zilveren medaille te belonen. Bij de reddingswerkzaamheden had de veldwachter niet aan zijn eigen bezittingen gedacht, maar alleen anderen geholpen en mensen gered.
De eerste vluchtelingen keerden tussen 10 en 28 maart naar hun huis terug; de laatste pas op 3 mei. Menig gastgezin heeft zich uitgesloofd om de evacués zo goed mogelijk te verzorgen. “Niet weinigen keerden sterker en beter gekleed en gevoed terug dan zij gekomen waren”. De commissie ontving ruim f.15.000 aan giften, waaronder van Prins Hendrik, zoon van koning Willem III, f.66.- en van Zijne Majesteit “de ‘voorbeeldige’ gift” van f.300.-. Daarnaast kreeg het gemeentebestuur f.3.716,64½ van de provincie. Dit geld werd besteed aan zaaikoren, pootaardappelen, kosten van huisvesting, herstel of aanschaf van nieuwe meubelen, enz.
Het herstel van de Grebbedijk werd tot het volgende jaar uitgesteld. Dat zinde Wageningen en Ede niet. Zij deden hun beklag bij Z.M. Het antwoord kwam niet van de koning, maar van GS. Gedeputeerde Staten van Gelderland vonden het gevaar voor de gemeenten Ede en Wageningen niet zó groot dat dadelijk met herstel moest worden begonnen.
Wellicht hebben GS gedacht dat het statistisch gezien wel een aantal jaren zou duren voordat zich opnieuw een watersnood zou aandienen. Ook hebben zij geen roeiboot in reserve gehouden om die ogenblikkelijk in te zetten voor het vervoer van Zijne Majesteit, wanneer het onverwacht toch tot een nieuwe ramp zou zijn gekomen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten