4. Middenstand en weekmarkt

Uit de lijst van middenstanders blijkt overduidelijk dat Ede in 1850 een geïsoleerde agrarische gemeenschap was.
De middenstand hield zich alleen bezig met wat de boer nodig had voor zijn bedrijf en met de eerste levensbehoeften van de dorpsgenoten.
De smid kwam in actie wanneer de paarden van een nieuw hoefijzer moesten worden voorzien; de wagenmaker zorgde voor reparaties aan de boerenkarren en de wieldraaier leverde nieuwe wielen. Het koren werd gemalen op een windkorenmolen.

Tussen 1850 en 1900 waren er in de gemeente Ede gemiddeld 14 smederijen, tien wagenmakers, een wieldraaierij, drie koper- en blikslagers, elf huis- en rijtuigschilders, een zadelmaker, een leerlooierij, een touwslagerij, negen korenmolenaars en een honingzemerij waar de bijenhoning werd gezuiverd van stuifmeel en was.

Voor de normale levensbehoeften van de dorpelingen waren er in de gemeente Ede op een bevolking van ongeveer twaalfduizend inwoners, gemiddeld 26 brood- en koekenbakkerijen, 22 kleermakers, 14 klompenmakers, 14 schoenmakers, twee horloge- en klokkenmakers, een hoedenmakerij, 14 metselaars, 31 timmermansbazen, drie kuiperijen waar houten tonnen werden gemaakt en een grutterij waar men zijn ‘Albert Heijn’ boodschappen kon inslaan.

Wie van vis hield, kon eenmaal per week bij visboer Moller uit Wageningen terecht. Die liep met een kruiwagen vol vis van Wageningen naar ‘onder de toren’ waar hij zijn vis verkocht, in de hoop dat hij ’s middags met een lege kruiwagen naar huis kon wandelen.
En natuurlijk was er een slijterij en bierhandel, want ook toen hadden sommige inwoners erg vaak last van een heel grote dorst.

Dit alles veranderde heel langzaam door de aanleg van spoorverbindingen en het verharden van de belangrijkste wegen.  De verbeterde infrastructuur zorgde in het laatste deel van de negentiende eeuw zeer geleidelijk voor meer contacten met de buitenwereld.

In mei 1853 werd, na vele dringende verzoeken en langdurige beraadslagingen in de gemeenteraad, een weekmarkt ingesteld. De directe aanleiding is zelfs voor Edese begrippen heel bijzonder. Ruim een half jaar daarvóór had de gemeenteraad op voorstel van baron Van Wassenaer van Catwijck, een kermisverbod uitgevaardigd. Door dit verbod werd de lieve jeugd de kans ontnomen om af en toe op de kermis flink uit de band te springen. Om de jongeren toch een ‘verzetje’ te bieden, besloot de raad een weekmarkt in te stellen. Zo werd de wekelijkse groente- en schapenmarkt het alternatief voor de kermis.

De gemeenteraad besloot de dinsdag tot marktdag te verheffen, maar Gedeputeerde Staten van Utrecht staken daar een stokje voor. Op die dag was er in Stichts Veenendaal al een markt. Dat zou te veel concurrentie betekenen voor de Veenendalers. De woensdag was gereserveerd voor Wageningen en Scherpenzeel, de donderdag voor Barneveld en de vrijdag voor Arnhem. De maandag viel af, omdat de schapenboeren dan al op zondag met hun dieren op reis moesten. De zaterdag viel af omdat dat de Joodse sabbat is. Aangezien ook in Ede de week maar zeven dagen telt, besloot de gemeenteraad vast te houden aan de dinsdag. De minister maakte echter bezwaar en daar kon de raad niet tegenop.
Dus moest Ede uiteindelijk naar de maandag als marktdag

Zijne Majesteit koning Willem III verklaarde zich akkoord en de eerste markt kon worden gehouden op het zuidelijke deel van het oude kerkhof tegen betaling van f. 7,50 per jaar aan de kerkvoogdij van de Nederlands Hervormde kerk van Ede en op voorwaarde dat direct na afloop van de markt “eene behoorlijke reiniging van voormelde gehuurde grond” moet plaatsvinden..

Om de markt aantrekkelijk te maken, stelde de gemeenteraad enkele premies beschikbaar. Wie de meeste schapen naar dec markt bracht kon een premie van f. 3.- krijgen, wie de op een na meeste schapen meenam f. 2.- en de koper van de meeste schapen kreeg f. 3.-. Voor de gemeenteraad, die bekend stond om zijn uitermate zuinige beleid, was dit een buitengewoon gul gebaar. Uiteindelijk bleek het moeilijk om vast te stellen wie voor een premie in aanmerking kwam. Het gulle gebaar ging niet door en de raad hield de centen in de gemeentekas.

Dat de markt het in het begin niet onverdienstelijk deed, blijkt uit de cijfers. In 1854 werden er 400 schapen verkocht, 223 jonge varkens, 1 rund, 1181 pond boter, 215 pond kaas en 3500 eieren. Het nieuwigheidje was er echter al snel vanaf en prompt begon de markt een kwijnend bestaan te leiden. Om kort daarna te worden opgeheven. Edenaren gingen liever naar de markten in de omgeving.

Tien jaar later werd een nieuwe start gemaakt. Het bleek een valse start, want door de uitbraak van veepest werd het verboden vee te vervoeren. Het volgende jaar, 1866, was er weer een schapenmarkt. De zuinige raad schafte de premies af, omdat hij meende dat de markt voldoende ingeburgerd was. Een jaar later brak er tyfus uit onder het vee en weer moest de markt worden afgelast.
Naast de schapenmarkt kwam er ook een paardenmarkt. In 1883 aangevuld met een ‘vette kalverenmarkt’. Maar het ging niet goed met de markt. Zes jaar later werd de schapenmarkt achter de Oude Kerk opgeheven bij gebrek aan schapenhouders die met hun dieren naar de markt wilden.

Intussen hebben wij nog altijd dankzij de beslissing van de gemeenteraad uit 1854 onze maandagse marktdag.


Carel Verhoef, 2019


Het boek 'Ede 1850-1900. Een Veluws dorp op de drempel van de moderne tijd' is hier te bestellen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten