6. Bevolkingstoename en emigratie

Tussen 1850 en 1900 groeide de bevolking van de gemeente Ede van 8.967 naar 15.195 inwoners. Of die mooie getallen kloppen, valt te betwijfelen. In 1862 werd een getal van 10.102 inwoners in het gemeentelijke verslag vermeld, maar de gemeentesecretaris maakte er de volgende opmerking bij: “Van de feitelijke bevolking kan geen opgave gedaan worden, aangezien daarvan sedert jaren geen behoorlijke aantekening is gehouden”. Kennelijk woonden er in Ede ook toen al ‘illegalen’. In 1850 klaagden B&W van Ede dat men elders in het land van het bevolkingsregister een potje maakte, maar in Ede was ook niet alles correct genoteerd.

Dat kwam zo. Elke tien jaar werd een volkstelling georganiseerd, maar de formulieren werden niet altijd op de juiste wijze ingevuld. De spelling van de namen en de dagtekening van de geboorte werden vaak onnauwkeurig opgeschreven. In de tijd dat de Fransen hier de baas waren, 1795-1813, werd in 1811 de Burgerlijke Stand ingevoerd. Elke Nederlander moest toen een achternaam kiezen. Wie bakker was, koos Bakker als achternaam. Heette je vader Jan, dan was jij Janszoon, verbasterd tot Jansen. Zo ontstonden de families Willemsen, Cornelissen, Pietersen, enz. Wie scheel was, werd Scheele genoemd. Sommigen konden zich nog herinneren dat zij naakt geboren waren; zij kozen Naaktgeboren als achternaam.
Ook hield men zich niet altijd aan dezelfde schrijfwijze. Jansen kun je ook met twee ss-en of met sz schrijven. Daardoor stond dezelfde persoon soms onder verschillende namen in het bevolkingsregister. Ook waren velen verhuisd zonder te melden dat zij zouden vertrekken. Pas in 1881 meldden B&W opgewekt “de bevolkingsregisters worden dagelijks geregeld bijgehouden”.

Kloppen de inwonergetallen meestal niet helemaal, de Edese bevolking groeide desondanks als kool door een gestaag toenemend aantal geboorten en door migranten van elders. In 1850 werden ruim 300 kinderen geboren. Tegen het eind van de eeuw was dat tot ongeveer 500 per jaar opgelopen. Gezinnen met meer dan tien kinderen kwamen veelvuldig voor. In een klein wit huisje aan de Concordialaan woonden Jan Verweij en zijn vrouw met hun zeven zoons en elf dochters.

Opvallend in de jaaroverzichten zijn de aantallen doodgeboren kinderen. Van de 310 in 1850 geboren kinderen waren er 19 niet in leven. Dat aantal varieerde in de periode 1850-1900 tussen tien en 33 per jaar, oftewel tussen de drie en tien procent van de nieuw geborenen. Dit hoge sterftecijfer kwam hoogstwaarschijnlijk door de zware lichamelijke arbeid op het land door de moeders, die tot vlak vóór de bevalling moesten doorwerken. Daardoor werden sommige kinderen te vroeg geboren zonder kraamzorg. Zwangerschapsverlof bestond niet. Ook liet de medische kennis van de vroedvrouwen wel eens wat te wensen over. 

Een deel van de nieuwkomers behoorde tot de gegoede stand. Zij lieten de eerste villa’s bouwen aan de Grindweg, de latere Stationsweg, en aan de Amsterdamse- en de Arnhemseweg.  Dit waren merendeels gepensioneerden uit westelijk Nederland of uit Nederlands-Indië, die vanwege de gezonde boslucht in Ede kwamen wonen.

Een groot deel van de Edese bevolking, met name de kleine boeren en landarbeiders,  verkeerde in permanente armoede. Toen de toestand in de landbouw na 1861 verslechterde, verliet een toenemend aantal van hen Ede en verhuisde naar elders in Nederland. Een deel vertrok naar het buitenland.
In 1850 zochten 323 Edenaren elders een betere bestaansmogelijkheid. Dat aantal liep na 1861 snel op. Tot 1900 was het jaargemiddelde 624. Alleen door het hoge geboortecijfer en de instroom van elders, nam het bevolkingsaantal toe. Toch waren er enkele jaren waarin meer Edenaren vertrokken dan er bijkwamen.

De meeste emigranten behoorden tot grote gezinnen. Van degenen die naar het buitenland gingen, vertrok het merendeel naar Noord-Amerika, onder andere naar Michigan en New York. Maar ook andere verre oorden stonden in de belangstelling, zoals Zuid-Afrika en Nederlands-Indië.
In 1853 en 1854 verhuisde niemand naar het buitenland. De gemeentesecretaris noteerde in zijn verslag: “Verhuizingen naar Noord-Amerika of andere vreemde gewesten hebben niet plaats gehad”.

In de Verenigde Staten was vooral de stad Pella in de staat Iowa in trek bij de Edenaren. Daar had zich in 1847 een kolonie Nederlanders gevestigd die met ds. Scholte van de Christelijk Afgescheiden Gemeente de oceaan over waren gestoken, omdat zij in Nederland niet vrij hun geloof konden beleven.
In 1855 ging Teunis van Veenschoten met vrouw en acht kinderen naar Pella. Tussen 1855 en 1858 vertrokken vijftien gezinnen en nog enkele individuele gelukzoekers naar die stad. Daar wordt nog steeds Pella-Nederlands gesproken, een dialect dat is gebaseerd op het Zuid-Gelders. Het is een van de plaatsjes in de Verenigde Staten waar het Nederlandse karakter het best is bewaard gebleven; het heeft nog het knusse van een Nederlands dorp. Het originele woonhuis van ds. Scholte staat er nog.
 
Toen de gereformeerde voorman Abraham Kuyper in 1898 Pella bezocht, werd het Wilhelmus gezongen, hadden zijn toehoorders zich met oranje kokardes versierd en het portret van de kort daarvóór tot koningin gekroonde Wilhelmina aan de wand gehangen.



Carel Verhoef, 2019


Het boek 'Ede 1850-1900. Een Veluws dorp op de drempel van de moderne tijd' is hier te bestellen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten