Op schrikkelochtend rond 6 uur werd ik gewekt door onze tuinmerel. Niets bijzonders want de meeste mensen met een tuin hebben daar ook wel een merelman in wonen, en merelmannen hebben de leuke gewoonte om hun lentedag – al is het februari, koud en aardedonker, zingend te beginnen. Wat voor merels niets bijzonders schijnt, is dat voor mensen des te meer. Ik zie de doorsnee man niet op een donkere februariochtend uit de veren stappen, zonder zich te wassen of aan te kleden naar buitengaan, en op de nok van het dak klimmen, om daar het hoogste lied te gaan zingen. Als zo’n man geluk heeft zal zijn vrouw hem bewonderend aanhoren vanuit haar nest, maar de doorsnee vrouw belt in zo’n geval 1-1-2 en laat een busje komen om haar man te doen ophalen.Business as usual dus voor onze tuinmerelman. En toch spitste ik mijn oren meteen. De voorafgaande weken had ik namelijk tijdens de wintervoedering van onze tuinvogels de merelman – gitzwart verenpak, oranjegele snavel en glanzende kraaloogjes – toegefloten. De luisteraar zal nu wellicht denken dat deze columnist van het padje af is, maar luister verder.
Ik fluit de merelmannen in onze tuin al sinds jaar en dag toe. Mijn vader kon prachtig fluiten. Hij had de gewoonte als hij ons in stadsgewoel of op druk strand was kwijtgeraakt, of wij hem, om ons dan bij zich te fluiten via het familiewijsje.
Dit familiewijsje heb ik onze tuinmerelman de hele winter voorgefloten, tenminste als ik hem toevallig zag. En die bewuste schrikkelochtend nu hoorde ik een deel van dat familiefluitje terug in het lied van onze tuinmerelman. Het was kwart over 6 ’s ochtends en ik was klaarwakker, spitste mijn oren, luisterde, checkte, dubbelcheckte en was blij. Heel blij.
De merelman is een componist en virtuoos solist van zijn eigen muziek. Het mooie is ook: hij improviseert en varieert op eigen composities. Elke merelman zingt individueel verschillend. Natuurlijk, ze apen elkaar na, nemen geluidjes over van andere vogels of van apparaten, maar iedere merel geeft zijn eigen, unieke draai aan zíjn lied. Begin van elk jaar – als de merelzang op gang komt – heb ik er lol in om het familiefluitje in het lied van onze tuinmerel te krijgen.
Behalve geniaal musicus is de merel vooral dichter. In het dagelijkse leven is hij fel en agressief naar de buurmerelmannen, ze moeten uit zijn gebied blijven. Als zijn jongen worden bedreigd door kat of ekster dan scheert hij als een straaljager op het roofdier af.
Voor zijn vrouw heeft hij respect maar eigenlijk snapt hij haar niet echt. Hij wijst haar steengoede nestelplekken aan, maar altijd bepaalt zíj waar ze het nest gaat maken op haar eigenwijze plek. Maar elke ochtend en elke avond als vrouw en jongen nog, of al slapen, dan komt de dichter in hem vrij en ontroert hij alles wat oren heeft met de meest wonderbare tonen. In majeur, of in mineur.
En dan hoop ik maar dat machthebbers ook een tuin hebben, en dat ze eens worden gewekt door hun tuinmerel. En dat ze – of ze nu Poetin heten, of Assad, of Erdogan, of rebellenleider – net als de merel nog ergens, ook al is het diep verscholen, een dichter in zich hebben. Een dichter die muziektaal verstaat. En dat ze na verkwikt te zijn door hun tuinmerel toevallig alle vier een ingeving krijgen dat het niet om hun eigen ego gaat, niet om hun eigen gelijk, niet om wie de sterkste is, maar dat het hierom gaat – poëzie, muziek, vrede. En dat als door een wonder de bombardementen verstommen, het gehuil en de pijn definitief doven, geen verminkingen en doden meer. Geen nieuwe vluchtelingen, een ieder kan terugkeren naar het eigen huis, de puinhopen opruimen, de tuinen herplanten en misschien… waarom niet, komen er merels en zullen ze zingen.
George Knottnerus, 2020
Geen opmerkingen:
Een reactie posten