Mijn verhaal zou ik nu al kunnen beëindigen, want in de periode 1850-1900 was er in Ede geen door de overheid gefinancierd voortgezet onderwijs.
Wat er wel was, dat waren kostscholen. De oudste was de in Ede overbekende kostschool van juffrouw Anna Maria Moens, gevestigd in Huize Kernhem. Maar ook in villa Erica aan de Stationsweg, in Buitenzorg, in Huize Sterrenberg en in de Brouwershoeve waren gedurende korte of lange tijd kostscholen gevestigd.
Deze vorm van onderwijs werd door slechts enkele leerlingen uit Ede bezocht; alle andere kwamen van buiten en waren hier intern. Zo’n opleiding kostte de ouders nogal wat geld. In Kernhem moesten de ouders f.1.000.- schoolgeld per jaar betalen. Dus was dit soort onderwijs alleen voor kinderen uit de gegoede stand. In Kernhem verbleven, naast een groep jongens, voornamelijk adellijke jongedames.
Het grafmonument van juffrouw Moens staat nog altijd op de Edese Paasberg.
Het onderwijs aan verschillende kostscholen ging verder dan het programma voor een lagere school. Sommige kostscholen leidden hun leerlingen op voor een beroep, voor de handelsschool, voor gymnasium of hbs, of gaven een vorm van meer uitgebreid lager onderwijs. Decennialang heeft de gemeenteraad gemeend dat met deze kostscholen aan de vraag naar voortgezet onderwijs ruimschoots was voldaan. Dit bleek een misvatting. Ook minder kapitaalkrachtige ouders wensten voortgezet onderwijs voor hun kroost.
Al in 1863 werd elke gemeente met meer dan 10.000 inwoners via de Middelbaar Onderwijswet verplicht een school voor voortgezet onderwijs op te richten. Dat gold ook voor Ede, want net in die tijd werd het respectabele aantal van 10.000 inwoners bereikt. Zo’n school betekende echter een aanslag op de gemeentelijke financiën en dat zag de gemeenteraad van Ede niet zitten. Op grond van twee argumenten probeerde de raad er telkenjare onderuit te draaien: ten eerste meende men dat er in Ede onvoldoende behoefte was aan dat soort onderwijs en ten tweede: wie dat onderwijs wel wenste, kon uitstekend bij de kostscholen terecht. Door deze opstelling van de raad kon de gemeente telkens vrijstelling van de wettelijke verplichting verkrijgen.
In 1869 was er een iets meer attente inspecteur middelbaar onderwijs. Hij wees de gemeente uitdrukkelijk op haar wettelijke verplichting. Alleen wanneer de bevolking ver uiteen woonde en wanneer er te weinig belangstelling voor voortgezet onderwijs zou zijn, kon ontheffing worden verleend. Dat waren precies de argumenten die de gemeenteraad nodig had. Zij werden door de raad dankbaar aanvaard. De gemeentesecretaris schreef aan koning Willem III: “De bevolking dezer gemeente is wel de meest verspreide in het Rijk, zoodat op bezoek van zoodanige school, waar ook geplaatst, volstrekt niet te rekenen valt”.
Daarmee blokkeerde de raad deze leerweg voor de kinderen van minder gegoede inwoners en ontnam hen een mogelijkheid om zich via een goede opleiding aan de bestaande armoede te ontworstelen.
Toen de raad niet van zins was om actie te ondernemen, was het wachten op het moment dat vanuit de burgers een initiatief zou komen. In 1884 was het zover. Toen waren er ouders die de oprichting wensten van een school voor mulo: meer uitgebreid lager onderwijs. Deze ouders woonden, niet toevallig, aan de Grindweg, de tegenwoordige Stationsweg. Zij vroegen om een subsidie voor de bouw van een school. B&W gingen akkoord, maar de raad wees het voorstel af onder het motto: “Wie zulk onderwijs wenscht, moet het maar zelf betalen”.
Tijdens de beraadslagingen wezen de voorstanders van een mulo de gemeenteraad op de grote economische voordelen voor het dorp. Een school voor mulo zou gezinnen aantrekken, waarvoor huizen verhuurd of gebouwd zouden moeten worden. De middenstand zou profiteren, want nieuwe inwoners moesten ook eten en kleren en huishoudelijke artikelen aanschaffen. Omgekeerd zouden wegens het ontbreken van voortgezet onderwijs sommige gezinnen zich elders gaan vestigen in plaats van in Ede, of zouden juist Edese gezinnen wellicht naar elders verhuizen.
De raad bleek niet te vermurwen. Het onderwijs mocht niet meer offers van de gemeente vragen. “Waar moet dat heen met de gemeentelijke financiën?”, zo vroeg menig raadslid zich af. Wie belangstelling had, moest zelf maar een school stichten.
Dit standpunt van de gemeenteraad zorgde ervoor dat Ede tot 1902 moest wachten voordat een school voor mulo kon worden opgericht. Dit werd de christelijke mulo. Pas in 1937 kwam een verdere uitbreiding van het voortgezet onderwijs met de eerste school voor gymnasiaal en voorbereidend hoger en middelbaar onderwijs, het huidige Marnix College.
Carel Verhoef, 9 november 2019
Het boek 'Ede 1850-1900. Een Veluws dorp op de drempel van de moderne tijd' is hier te bestellen.
Wekelijks radioprogramma bij EDE FM over kunst en cultuur in de regio. Dit is heel divers: we praten met artiesten over hun theater- en muziekvoorstellingen, met beeldend kunstenaars, met dichters, koorleden, muzikanten... Er is live muziek en er zijn vaste columnisten als Gertom de Beer (over boeken) en schrijver George Knottnerus. Kortom: cultuur in de breedste zin van het woord. Dit maakt Studio C afwisselend en elke week anders. Tussen de gesprekken door is er muziek.
Abonneren op:
Reacties (Atom)
-
Presentatie René Hazeleger 1 Harmannus Harkema over het optreden van Billy and Bloomfish op donderdag 12 december bij Live Stage Ma...
-
Presentatie René Hazeleger 1 George Knottnerus met zijn maandelijkse column. Over zijn ervaringen als postbezorger op Oudejaarsdag. B...
-
Presentatie Henk Gieling 1 Geen Broere , Buurtrichter van de Buurt Ede en Veldhuizen , het oudste bestuursorgaan van Ede dat nog actief is. ...

Geen opmerkingen:
Een reactie posten