15 De burgemeesters (1 februari 2020)

Het bestuur van de gemeente was tussen 1850 en 1900 in handen van de burgemeester, twee  wethouders en van aanvankelijk dertien, in 1872 vijftien en na de verkiezingen van 1891, van  zeventien gemeenteraadsleden.
De gemeentesecretaris notuleerde de gemeenteraadsvergaderingen, de gemeenteontvanger zorgde voor de financiën.

In deze periode (1850-1900) werd Ede ‘vaderlijk’ geleid door vier burgemeesters: Hermanus Theodorus Prins, diens zoon Theodorus Prins, jonkheer Anton Willem van Borssele en jonkheer Florent Sophius Op ten Noort.
Hermanus Theodurus Prins was de zoon van Theodorus Prins, die burgemeester van Bennekom was geweest van 1812 tot 1817.
Tijdens het burgemeesterschap van Hermanus Theodorus, 1822-1851, hield de Edese gemeenteraad zich hoofdzakelijk bezig met het brandwezen, de oprichting en het onderhoud van scholen, de begraafplaatsen en de wegen. In 1851 werd hij opgevolgd door zijn zoon, u raad het al: Theodorus.

In dat jaar moest tevens een nieuwe gemeentesecretaris worden benoemd, omdat de vorige er een potje van had gemaakt. Over de nieuwe functionaris had de burgemeester geen enkele klacht om de eenvoudige reden dat hij dat zelf was. Sindsdien combineerde deze Prins het burgemeestersambt moeiteloos met de betaalde nevenfunctie van gemeentesecretaris. Hij werd de eerste Edese grootverdiener.
Tijdens zijn ambtsperiode bemoeide de raad zich met de al genoemde zaken en verder met het kermisverbod, met de uitwerking van de nieuwe Gemeentewet van 1851, de Armenwet van 1854 en de Lager Onderwijswet van 1857.
Hij overleed, nog geen veertig jaar oud, in 1860. De verslagenheid in de gemeente was groot. Ede verloor een ijverige, beminde en bekwame burgervader.
Het is voor ons een beetje verwarrend al die Prinsen, vooral wanneer wij door de Burgemeester Prinslaan wandelen en ons afvragen naar welke van al die Prinsen deze deftige laan is vernoemd.

In 1860 begon het burgemeesterschap van jonkheer Van Borssele. Om het contact met de bevolking te verbeteren en bekend te worden met de problemen van de gewone man, stelde hij een wekelijks spreekuur van B&W in, waar iedere burger vragen kon stellen. Deze inspraak werd door de bevolking zeer gewaardeerd.
Bovendien wandelde hij op mooie dagen door het dorp. Op enkele meters afstand gevolgd door een veldwachter. Op een teken met de wandelstok moest de veldwachter naar voren komen om een vraag van een gewone burger te beantwoorden of om inlichtingen te geven.
Gedurende zesendertig jaren heeft de jonkheer leiding gegeven aan de gemeente Ede. Daarmee is hij nog steeds de lokale recordhouder. Toen hij vijfentwintig jaar burgemeester was, heeft de gemeente uitbundig feest gevierd. Overal werd gevlagd. Er waren liefst twaalf erebogen opgericht. ’s Morgens om negen uur stond bij het station al een erewacht. De muzikanten van de Arnhemse schutterij openden de optocht, bestaande uit een erewacht, een escorte te paard die de wapens van de gemeente Ede en van de familie Van Borssele droegen, vervolgens de feestcommissie in een rijtuig, een tweede escorte, een afdeling te paard namens de burgerij en tenslotte groepen vertegenwoordigers uit de buitendorpen. Bij de burgemeesterswoning volgden enkele toespraken, waarna de burgemeester in een rijtuig stapte en het hele défilé richting gemeentehuis ging. Onderweg werden boeketten bloemen aangeboden en werd de jubilaris door schoolkinderen toegezongen. Die strooiden bloemen op de weg alsof het Palmpasen was. In Bennekom was men zo enthousiast dat de omstanders de paarden uitspanden en zelf het rijtuig naar hotel Neder-Veluwe trokken. In het gemeentehuis dronk men een glas erewijn op het welzijn van de burgemeester en de gemeente. De schoolkinderen kregen chocolade en krentenbroodjes. Veel arme mensen ontvingen spek en erwten.

In de daaropvolgende raadsvergadering kreeg de burgemeester een foto van de raad en een album met foto’s uit de hele gemeente, aangeboden door wethouder Van Schothorst. In zijn speech memoreerde de wethouder, doelend op de naam Van Borssele, dat de burgemeester uit een geslacht kwam dat reeds vier en een halve eeuw in de geschiedenis van ons land gunstig bekend stond. Hertogin Jacoba van Beieren (1404-1436) zou instemmend hebben geknikt, want na drie andere mannen had zij ooit iets met ene Frank van Borssele.
Jonkheer Van Borssele heeft meerdere functies bekleed. Hij is gedurende dertig jaar lid van de Provinciale Staten van Gelderland geweest, lid van de Tweede Kamer van 1893 tot 1897 en jarenlang kamerheer in buitengewone dienst van Zijne Majesteit Koning Willem III. De   koning benoemde de jonkheer tot Officier in de Orde van de Eikenkroon.

In 1896, na 36 jaar burgemeesterschap, vond de jonkheer het welletjes. In zijn afscheidsrede memoreerde hij zijn belangrijkste werkzaamheden: onderwijs, scholenbouw en de aanleg van wegen. In die zesendertig jaren waren er vier schoollokalen en drie onderwijzerswoningen gebouwd, waren de sintelweg van Lunteren naar De Klomp en de grindweg naar Hoenderloo en Harskamp aangelegd, was een woonhuis omgebouwd tot gemeentehuis en waren de torens van de gemeente gerestaureerd waarvan er zelfs één, die jarenlang scheef stond, weer in het lood gebracht. Kort daarvóór had Hare Majesteit Koningin Emma jonkheer van Borssele benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

In 1896 werd hij opgevolgd door jonkheer Op ten Noort. Deze onderkende de economische voordelen van het toerisme voor de Veluwe en hij nam het initiatief tot de oprichting van de Edese VVV in 1897. De vestiging van het schietkamp te Harskamp en van het garnizoen te Ede, danken wij aan zijn persoonlijke bemoeienissen.
Tevens heeft hij, dwars tegen een bepaald niet geestdriftige gemeenteraad in, gezorgd voor een nieuw gemeentehuis in 1899. In het Tegelmuseum in Otterlo hangt een prachtig tegeltableau met een afbeelding van zowel het oude als het nieuwe gemeentehuis.


Carel Verhoef, 1 februari 2020



Het boek 'Ede 1850-1900. Een Veluws dorp op de drempel van de moderne tijd' is hier te bestellen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten