20 Armenzorg

Omstreeks 1850 leefde eenentwintig procent van alle Nederlanders, meest boeren en arbeiders, onder de armoedegrens. Velen leden honger. Steeds meer vroeg men zich af: heeft de Nederlandse staat hier een taak?
Aanvankelijk zag men de staat uitsluitend als een soort nachtwaker die de burgers bescherming moest bieden tegen rondlopend gespuis. Armenzorg was geen taak van de staat, maar viel in de categorie ‘liefdewerk’. Wie arm was, was aangewezen op ‘een christelijke handreiking’ door de diaconie van de kerk, op steun van een liefdadigheidsvereniging, of op hulp van de familie. Voor de rest moest men zich schikken in zijn lot. God had dat zo gewild. Die visie veranderde langzaam. Steeds meer kende men aan de staat bepaalde taken toe die de levensomstandigheden van de armste burgers moesten verbeteren.
Het eerste “Armenwetje” dateert van 1818.

De staat, in dit geval de gemeente, nam een deel van de armenzorg over, want de kerkelijke hulp was niet voldoende en niet voor alle behoeftigen bestemd.
De diaconieën weigerden steun aan personen die geen lidmaat van de kerk waren. Ook zogenaamde ‘onechte’ dwz. buitenechtelijke kinderen kregen niets. Evenals zij die zich misdroegen of een strafblad hadden. Soms werd door de diaconie zelfs wangedrag “voorgewend” om sommige personen geen ondersteuning te hoeven verlenen. Wie niet door de kerk of de liefdadigheid werd geholpen, kwam voor rekening van de gemeente.
Dit werd de leidende gedachte achter de Armenwet van 1854. Deze wet zou meer dan een eeuw de armenzorg regelen; tot de Bijstandswet van 1965. 

Maar men kreeg niet zo maar geld van de gemeente. Wanneer een gezin bijstand vroeg dan kwamen de gemeentelijke armenverzorgers op bezoek om zich rekenschap te geven van de financiële draagkracht van de familie, hun lichamelijke gebreken, ziekten, ouderdom en de vraag of de naastbij zijnde familie hen kon onderhouden.
Voorts was het zedelijk gedrag van de “bedeelden” van belang. Wie zich aan allerlei uitspattingen te buiten ging, hoefde niet op bijstand te rekenen.
‘Bijstandsfraude’ kwam ook toen al voor. Sommige ‘behoeftigen’ dachten slim te zijn en meldden zich bij verschillende instanties aan. Vandaar dat de gemeente onderzocht of de gegadigde wellicht van de kerk of een andere instelling een uitkering kreeg.
Wie betrapt werd, kreeg geen uitkering meer.


In Ede bestond grote onenigheid tussen de gemeente en de Nederlands Hervormde kerk over de vraag wie de armen moest bedelen. Al in 1851 klaagde de burgemeester dat de diaconieën en de besturen van liefdadigheidsinstellingen weigerden inzicht te geven in hun financiële situatie, waardoor de gemeenteraad geen zicht had op de werkelijke armoede in de gemeente.

De uitkering die men kreeg, was bestemd voor etenswaren, kleding, brandstoffen, beddengoed, woning en eventueel geneeskundige hulp en medicijnen.
Afhankelijk van de ‘categorie behoeftigen’ waartoe men behoorde, was de uitkering per week in geval van ouderdom en lichaamszwakte voor 1 persoon f.1.-; voor man en vrouw, mits de vrouw ook niet kon werken, samen f.1,50; kon de vrouw nog werken f.1,25; voor elk kind kreeg men f.0,25.
Deze bedragen golden alleen voor de wintermaanden; in de zomer kreeg men ¾ van de genoemde bedragen. De gemeente rekende er op dat men ’s zomers wel wat kon ‘schnabbelen’.
Weeskinderen of verlaten kinderen kregen het gehele jaar f.1.- per week;
Aan zieken en aan zogenoemde “onnozelen en krankzinnigen” werd f.2.- per week uitgekeerd. Wie ouder was dan 70 jaar of niet in staat was om te werken, kwam zonder meer in aanmerking voor een uitkering.
Al deze bedragen waren ‘te weinig om van te leven en net teveel om van dood te gaan’. 

Veel armen, die het een schande vonden om bij de diaconie hulp te vragen, zagen er geen bezwaar in naar de gemeente te gaan.
Dat had een oorzaak. Steeds meer jongens verschenen in de kerk met een rood biesje, een reepje opgenaaide rode stof op de naad van hun rechtermouw. Dat biesje  was door een diaken verstrekt. Het kerkvolk kon zien wie door de diaconie werd geholpen. Wie uit schaamte het biesje verwijderde, werd voorgoed van kerkelijke hulp uitgesloten. 

In 1855 waren er in Ede 290 gevallen van bedeling, zowel gezinnen als alleenstaanden. Zes jaar later waren er al 421 armlastigen. Veel hing af van de aardappeloogst. Mislukte die, dan werden de allerarmsten  het zwaarst getroffen. De aardappel was in die tijd het hoofdbestanddeel van hun maaltijd. 

Naast deze bedeelden had de gemeente ook de zorg voor psychiatrische patiënten en bedelaars die naar de bedelaarskolonies Veenhuizen of Ommerschans waren gestuurd. In 1900 werden zestien Edenaren in, zoals men die toen noemde: “gestichten en bewaarplaatsen voor krankzinnigen” verpleegd. 

Hoe groot het menselijk drama achter veel van de bedelaarsgeschiedenissen is geweest, blijkt nooit uit de raadsverslagen; daar gaat het altijd over het niet betalen van de kosten voor de reis en de verpleging. Behalve die ene keer. In 1853 werd de gemeente Ede verzocht om de kosten te betalen voor Aaltje van Ginkel die in de kolonie Veenhuizen werd verpleegd, “zijnde een bedelaarskoloniste”. Zij was “krankzinnig geworden en overgebracht naar het krankzinnigengesticht” in Zutphen. De raad heeft vermoedelijk de schrijnende tragiek van deze vrouw goed ingeschat, want de gevraagde f.60.- per jaar werd ditmaal direct door de raad toegezegd; het bedrag kwam op de begroting voor 1854.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten