8. Het onderwijs (5 oktober 2019)

“De school is altijd de dochter van de kerk geweest”, zo lezen wij in de Geschiedenis van Ede. Dat betekende dat het hele onderwijs in de Middeleeuwen rooms-katholiek was en dat toen in de Tachtigjarige Oorlog de calvinisten de baas werden, op iedere school de orthodox-protestantse geloofsleer werd aangeleerd. In de Franse Tijd: 1795-1813, werd het onderwijs  openbaar, en na het vertrek van de Fransen bleef de school wel in naam openbaar, maar in de praktijk kreeg zij een algemeen christelijk, vooral protestants karakter. Er werd gebeden, de kinderen moesten psalmversjes leren en er werd uit de Bijbel verteld. Meester Neelmeijer in de “School onder de toren” las elke vrijdagmiddag uit de Bijbel, maar van tevoren stuurde hij de joodse kinderen naar huis, want ‘andersgelovigen’ hoorden daar niet bij te zijn, zo meende hij.

Dat was de situatie rond 1850. De schoolmeester was bovendien sterk met de protestantse kerk verbonden. Hij werd door de gemeenteraad benoemd. Daarna werd hij door de kerkenraad aangesteld tot koster van de Oude Kerk en tot organist, voorlezer en voorzanger, klokkenluider, grafdelver en doodbidder. Al in 1681 was bepaald dat op het platteland de schoolmeester tevens tot koster moest worden benoemd, omdat zijn salaris te laag was om van te leven. Het was zelfs zo slecht dat veel onderwijzers meerdere bijbaantjes hadden. Sommigen notuleerden de buurtvergaderingen, schreven de rekeningen van het arm- en kerkbestuur en verrichtten het schrijfwerk bij verkopingen. Anderen hadden een winkeltje, runden een herberg, of waren belastingambtenaar. Op het platteland had meester groenten uit eigen tuin en eieren, melk en vlees van eigen veestapel. Meestal woonde hij gratis in het schoolhuis.
Van meester De Graaf werd verteld dat de kerkenraad niet zo gelukkig was met de meester als voorlezer in de kerkdienst, want hij liet zich wel eens door een ander vervangen zonder de kerkenraad in te lichten en, wat nog erger was, hij veranderde al lezend de tekst van de Bijbel naar eigen inzicht. Pas in 1868 werd in Ede het beroep van onderwijzer losgekoppeld van het kosterschap.

Het peil van het onderwijs was niet hoog. In de Geschiedenis van Ede staat: “Op het gebied van het onderwijs is alles even treurig”. En dat was het ook. Tot 1857 hoefden de leerkrachten niet gediplomeerd te zijn. Wel hadden zij een akte van toelating als onderwijzer nodig. Daarvoor moesten zij een examen afleggen. Een opleiding was niet nodig, want meester moest alleen maar aantonen dat hij kon lezen, schrijven en rekenen.. Geen wonder dat de kwaliteit van sommige onderwijsgevenden veel te wensen overliet. Omstreeks 1841 trof de hoofdinspecteur in Gelderland juffrouwen aan die aan de drank waren, een meester die blind was en het lesgeven aan een schoenmaker overliet. Een gewezen schilder en een oude boerenknecht die hun werk niet meer konden doen, gingen voor de klas staan om nog wat te verdienen. Wat dit betreft was de toestand in Ede beter: de meesters Kool, Neelmeijer en De Graaf waren goed voor hun taak berekend.

De onderwijsvoorzieningen waren triest. Zelfs de meest noodzakelijke leermiddelen ontbraken. De school had in 1850 nog geen kaart van Nederland,.
Leerplicht bestond nog niet; de leerplichtwet dateert van 1901. Vandaar dat lang niet alle kinderen de school tegenover de Oude Kerk bezochten. “Ede slaat een slecht figuur”, schreef de inspecteur. Zijn voorganger had acht jaar daarvóór al geconcludeerd dat “vele kinderen van onvermogenden in het wilde lopen zonder onderwijs”, met andere woorden: de kinderen uit de armste gezinnen gingen niet naar school.
Nog in 1864 bleven van de 450 kinderen ongeveer honderd verstoken van enige scholing. In de winter kwamen meer kinderen naar school dan in de zomer, want een aantal van hen moest in de zomer op het land helpen of bosbessen plukken. In 1851 bezochten 179 leerlingen in de winter de school en in de zomer 146. Het aantal schoolgaande kinderen nam gelukkig gestaag toe, omdat steeds meer ouders inzagen hoe belangrijk onderwijs is. Het aantal absenten in de zomer werd daardoor steeds minder.

Voor dat onderwijs moest schoolgeld worden betaald. Voor een heel jaar was dat f. 4,- per kind. Wie meerdere kinderen op school had, betaalde per kind 4/5 deel van f.4.-. Maar de meeste inwoners van Ede waren zo arm dat zij het schoolgeld niet konden betalen. Hun kinderen kregen gratis onderwijs. Maar juist dat schoolgeld was de inkomstenbron van de meester.

In 1851 telde de school 179 leerlingen; in 1900: 388. Om die massa in het gareel te houden, mochten de meesters volgens een officieel voorschrift gebruik maken van de plak en de roede. De plak was een houten latje, soms in de vorm van een pollepel, en de roede, een bundeltje takken. Wie de orde verstoorde, kon rekenen op een stevige tik met de plak op zijn handpalmen of een paar klappen met de roede voor zijn broek.

Carel Verhoef, 5 oktober 2019



Het boek 'Ede 1850-1900. Een Veluws dorp op de drempel van de moderne tijd' is hier te bestellen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten